|
Uitspraak
03/2409 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger
beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond van 11
april 2003, procedurenummer: 02 / 1172 WAJONG K1, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 juli 2003 heeft appellantes gemachtigde een aan de
zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard gericht schrijven ingezonden, waarin
genoemde arts wordt verzocht bij wijze van contra-expertise omtrent
appellante te rapporteren.
De gronden van het hoger beroep zijn aangevoerd bij aanvullend
beroepschrift van 23 juli 2003.
Vervolgens heeft de gemachtigde van appellante een rapport van
evengenoemde zenuwarts Busard ingezonden, bevattende een verslag van het
door deze arts op 3 juni 2003 ingestelde onderzoek van appellante.
Bij brief van 2 december 2003 met bijlagen heeft gedaagde op dit rapport
gereageerd.
Bij schrijven van 8 september 2004 is namens appellante nog een medisch
attest, gedateerd 16 juli 2004, ingezonden van de neuropsychiater prof.
dr. B. van Houdenhove.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 januari 2005, waar
appellante met voorafgaand bericht in persoon noch bij gemachtigde is
verschenen, terwijl namens gedaagde is verschenen J.G.M. Huijs, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 27 september 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde in bezwaar gehandhaafd zijn primaire besluit van 21 juni 2002,
bij welk besluit gedaagde het verzoek van appellante heeft afgewezen om
- in het bijzonder wegens klachten van chronische vermoeidheid - in
aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), op de
grond dat zij niet kan worden aangemerkt als een jonggehandicapte als
bedoeld in die wet.
Gedaagdes verzekeringsarts heeft de aanvangsdatum van appellantes
arbeidsongeschiktheid - arbitrair - bepaald op 1 januari 1997.
Uitgaande van die dag als eerste arbeidsongeschiktheidsdag voldoet
appellante, zo heeft gedaagde overwogen, niet aan de in de Wajong
geformuleerde voorwaarden om als jonggehandicapte te kunnen worden
aangemerkt, te weten dat zij hetzij arbeidsongeschikt was op de dag
waarop zij de leeftijd van 17 jaar bereikte (24 januari 1996), hetzij in
het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden gedurende ten minste zes maanden
studerende was.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Zij heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat uit de
stukken genoegzaam blijkt, en door appellante ook niet is betwist, dat
zij niet voldoet aan de eis dat zij in het refertejaar ten minste zes
maanden studerende was in de zin der wet. Voorts heeft de rechtbank,
gelet op de voorhanden medische gegevens, evenmin aanleiding gevonden om
de juistheid van de bevindingen en conclusies van gedaagdes
verzekeringsartsen inzake de aanvang van appellantes
arbeidsongeschiktheid in twijfel te trekken.
De Raad begrijpt de namens appellante in hoger beroep naar voren
gebrachte stellingen aldus dat, in het bijzonder ook met een beroep op
het in rubriek I vermelde rapport van de zenuwarts Busard, wordt staande
gehouden dat zij eerder dan eerst op 1 januari 1997 arbeidsongeschikt is
geworden en in het bijzonder reeds arbeidsongeschikt was voor de dag
waarop zij de leeftijd van 17 jaar bereikte.
De Raad heeft in navolging van de rechtbank geen aanleiding om de
juistheid van het door gedaagde, op basis van de door diens
verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts ingestelde onderzoeken,
ingenomen standpunt inzake de aanvang van de arbeidsongeschiktheid van
appellante voor onjuist te houden. De Raad heeft daarbij evenals de
rechtbank in het bijzonder van belang geacht dat de verzekeringsarts en
bezwaarverzekeringsarts bij de vaststelling respectievelijk de
onderschrijving van 1 januari 1997 als de dag waarop - arbitrair
beoordeeld - de arbeidsongeschiktheid van appellante een aanvang heeft
genomen, zich in het bijzonder hebben laten leiden door het uit de
anamnese alsmede uit informatie van de behandelend internist en de
huisarts afkomstige gegeven dat appellante sinds 1997 te kampen heeft
met vermoeidheidsklachten, ontstaan na een in dat jaar doorgemaakte
ziekte van Pfeiffer, waarmee zij zich in dat jaar ook voor het eerst tot
haar huisarts en vervolgens tot een internist heeft gewend.
De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is
aangevoerd geen objectief-medische aanknopingspunten gevonden voor een
andersluidend oordeel.
Met name acht de Raad zulke aanknopingspunten ook niet gelegen in het
eerder vermelde rapport van de zenuwarts Busard. Naar het oordeel van
deze arts dient appellante als gevolg van chronische
vermoeidheidsklachten volledig arbeidsongeschikt te worden beschouwd.
Zij was volgens Busard op basis van haar klachten, beperkingen en
handicaps niet in staat om regulier en duurzaam te werken vanaf het
ontstaan van haar klachten. Zeker was zij daartoe, aldus Busard, niet in
staat vanaf januari 1997, maar ook al eerder was zij daartoe volgens hem
niet in staat. Bij dit laatste heeft hij overwogen dat het breekpunt
gesteld kan worden rond de leeftijd van 15 jaar toen appellante - nog
steeds volgens Busard - de ziekte van Pfeiffer doormaakte.
De Raad overweegt dat aan vorenomschreven conclusies van Busard inzake
de aanvang van appellantes arbeidsongeschiktheid reeds daarom geen
doorslaggevende betekenis toekomt, nu hij daarbij is uitgegaan van het
onjuiste gegeven dat appellante rond haar 15e jaar de ziekte van
Pfeiffer heeft doorgemaakt. Zoals hiervoor reeds is vermeld blijkt uit
de beschikbare gegevens, afkomstig van de huisarts van appellante en
haar destijds behandelend internist, dat zij eerst in het jaar 1997 door
die ziekte is getroffen. De ook door Busard in aanmerking genomen
omstandigheid dat appellante al voor 1997 problemen ondervond om het
door haar gevolgde onderwijs met succes af te ronden, kan in het licht
van de beschikbare medische gegevens evenmin dienen als genoegzaam
argument voor een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
Ook anderszins is niet kunnen blijken van objectief-medische
aanwijzingen die steun zouden verlenen aan het eigen standpunt van
appellante. De Raad merkt in dit verband nog op dat de neuropychiater
Van Houdenhove zich in diens in hoger beroep overgelegde attest niet
uitlaat over de aanvang van het door hem geconstateerde chronische
vermoeidheidssyndroom.
De Raad stelt zich voorts achter de vaststelling van de rechtbank dat
tussen partijen niet meer in geschil is dat appellante, uitgaande van 1
januari 1997 als eerste dag van haar arbeidsongeschiktheid, niet voldoet
aan de meergenoemde voorwaarde dat zij ten minste zes maanden studerende
is geweest in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan die datum. Ook in
hoger beroep is dit van de zijde van appellante niet bestreden.
Aldus komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte
stand kan houden. De aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat
besluit ongegrond is verklaard komt derhalve voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|