|
Uitspraak
01/2591 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
(met bijlage) hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Roermond onder dagtekening 26 maart 2001 tussen partijen gegeven
uitspraak (reg.nr. 00/835 WAJONG), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop bij schrijven
van 11 oktober 2001 nog een aanvulling is gegeven.
Bij schrijven van 27 januari 2003 is desgevraagd van de zijde van
gedaagde nog een nadere reactie bij de Raad binnengekomen.
Vervolgens hebben op verzoek van de Raad de revalidatiearts M.P. Rulkens
en de neuroloog dr. H.J.J.A. Bernsen respectievelijk op 18 april 2003 en
28 februari 2004 rapport uitgebracht, waarna de neuroloog Bernsen bij
schrijven van 21 september 2004 nog het verslag van een op 31 augustus
2004 door de neuropsychologe drs. M.A.O. de Bijl bij appellante
uitgevoerde neuropsychologische expertise aan de Raad heeft doen
toekomen.
Van de zijde van gedaagde is gereageerd op de rapporten van deze
deskundigen.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 2005, waar appellante
in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Appellante, geboren op 8 november 1973, heeft op 13 december 1999 een
aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Als gevolg van deze aanvraag heeft de verzekeringsarts
E.H.P.N. Joosten, nadat hij appellante had onderzocht, in zijn rapport van 25
januari 2000 vastgesteld dat zij als gevolg van een spastische
hemiplegie reeds op 17-jarige leeftijd beperkingen had en met achtneming
van deze beperkingen heeft hij een zogenoemd FIS-patroon vastgesteld.
Aan de hand hiervan is de arbeidsdeskundige W. Wolfs in zijn rapport van
9 februari 2000 tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt moet
worden geacht voor onder meer de functies van gegevens bewerker (Fb-code:
3992), medewerkster klachtenontvangst (Fb-code: 3807),
telefoniste/receptioniste (Fb-code: 3804), receptioniste/telefoniste (Fb-code:
3941) en telefoniste (Fb-code: 3802). Op basis van de eerste drie
genoemde functies heeft hij een mate van arbeidsongeschiktheid
vastgesteld van minder dan 25%. In overeenstemming met dit rapport heeft
gedaagde appellante bij besluit van 15 februari 2000 meegedeeld dat zij
op en na 7 november 1991 minder dan 25% arbeidsongeschikt is en dat zij
derhalve niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wajong.
In bezwaar is namens appellante naar voren gebracht dat zij meer
beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen, met name wat betreft
het gebruik van haar linkerhand. Voorts acht zij zich niet in staat om
fulltime te werken.
De bezwaarverzekeringsarts P. Tjen heeft zich in zijn rapport van 30 mei
2000 kunnen verenigen met de bevindingen en de vastgestelde beperkingen
van de primaire verzekeringsarts. In overeenstemming met dit rapport
heeft gedaagde bij besluit van 14 augustus 2000 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit is namens appellante beroep ingesteld, waarbij de in
bezwaar geuite grieven zijn herhaald. Ter ondersteuning van haar
standpunt dat zij meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen,
heeft zij een tweetal verklaringen d.dis 5 juli 1999 en 5 december 2000
van haar behandelend revalidatiearts D. Pernot ingebracht, waarin deze
te kennen heeft gegeven dat appellante vanwege haar lager tempo van
werken en informatieverwerking niet in staat is om fulltime te werken.
De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als
arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep
ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante haar grieven herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is van oordeel dat de in rubriek I vermelde deskundigen, die
appellante hebben gezien en bij hun onderzoek de beschikking hadden over
alle in dit geding voorhanden zijnde medische gegevens, op zorgvuldige
wijze een onderzoek op hun vakgebied hebben ingesteld en daarvan op
precieze wijze verslag hebben gedaan. Naar het oordeel van de Raad zijn
deze deskundigen tot een goed gemotiveerde beoordeling van de
belastbaarheid van appellante gekomen. De Raad ziet, gelet op alle
gegevens, dan ook geen aanleiding om in het onderhavige geval af te
wijken van het in ’s Raads vaste jurisprudentie besloten liggende
beginsel dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter
ingeschakelde deskundige wordt gevolgd.
De in rubriek I genoemde revalidatiearts Rulkens, die appellante op 15
april 2003 heeft onderzocht, is in zijn rapport tot de conclusie gekomen
dat appellante, naast een verminderde rechterhandfunctie, tevens een
licht verminderde linkerhandfunctie heeft, dat zij een trager tempo
heeft, zowel wat betreft productie als informatieverwerking, en dat zij
bij het gelijktijdig uitvoeren van meerdere opdrachten de draad
kwijtraakt, waarbij er tevens een dysartrie en een hakkelende spraak met
woordvindingsstoornissen ontstaat. Tevens heeft hij vastgesteld dat
appellante in de problemen komt wanneer zij in een emotionele of
conflictueuze situatie terechtkomt. Op grond van deze bevindingen is hij
van mening dat de door gedaagde vastgestelde belastbaarheid moet worden
bijgesteld, onder meer in die zin dat voor appellante een
arbeidsduurbeperking moet gelden.
De in rubriek I genoemde neuroloog Bernsen, die appellante op 17
februari 2004 heeft onderzocht, heeft vastgesteld dat bij een langdurige
belasting van de linkerhand toenemende motorische uitvalsverschijnselen
in de vorm van stoornissen in de fijne motoriek ontstaan. Evenals
Rulkens is hij in zijn rapport dan ook tot de conclusie gekomen dat er
bij appellante sprake is van een verminderde belastbaarheid van haar
linkerhand. De door voornoemde Bijl op 30 juli 2004 uitgevoerde
neuropsychologische expertise laat zien dat appellante beperkingen heeft
met betrekking tot de aspecten “werken onder tijdsdruk” (aspect 28A
van het FIS-patroon) en “dwingend werktempo” (aspect 28B). Voorts
heeft deze expertise de beperkingen van de fijnmotorische handelingen
van de linkerhand bevestigd.
Op grond van de bevindingen van de deskundigen, die grotendeels overeen
komen met de bevindingen van voornoemde revalidatiearts Pernot, stelt de
Raad vast dat gedaagde door geen beperkingen aan te nemen ten aanzien
van het gebruik van de linkerhand de lichamelijke belastbaarheid van
appellante heeft overschat. Dit geldt naar het oordeel van de Raad ook
voor de psychische belastbaarheid en dan met name voor wat betreft de
aspecten “werken onder tijdsdruk” (aspect 28A van het FIS-patroon),
“dwingend werktempo” (aspect 28B), “conflicterende
functie-eisen” (aspect 28D) en “conflicthantering” (aspect 28E).
Voorts is naar het oordeel van de Raad uit de onderzoeken van de
deskundigen in voldoende mate naar voren gekomen dat appellante niet
fulltime kan werken en dat voor haar een arbeidsduurbeperking dient te
gelden.
Dit brengt de Raad tot de conclusie dat appellante meer beperkingen
heeft dan gedaagde heeft aangenomen en dat zij vanwege deze nadere
beperkingen niet in staat is om de voor haar door gedaagde geselecteerde
functies uit te oefenen. Dit betekent dat het bestreden besluit in
rechte niet kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellante. Deze kosten worden begroot € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand
in hoger beroep en € 73,- aan reiskosten, in totaal derhalve €
1.039,-
Beslist moet worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1039,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, waarvan € 322,- te betalen aan de griffier
van de Raad.
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|