|
Uitspraak
03/2353 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de uitspraak van de rechtbank Almelo van 3 april 2003 reg.nr. 02/590
WAJONG AG1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 januari 2005, waar
appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Voets en waar
namens gedaagde niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 11 september 2001 heeft gedaagde de aanvraag van
appellant voor toekenning van een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.
Gedaagde heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant met ingang van
1 september 1992 - volledig - arbeidsongeschikt wordt geacht, echter dat
appellant niet voldoet aan de zogenoemde entree-eis nu hij in het
refertejaar -voorafgaande aan 1 september 1992- geen inkomsten uit of in
verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven -
of een daarmee gelijk te stellen inkomen - heeft genoten, noch voldoet
aan de criteria om aangemerkt te kunnen worden als student conform de -
in 1992 - van toepassing zijnde Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.
Bij besluit van 3 juni 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het namens appellant tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar
gedeeltelijk gegrond verklaard. Gedaagde heeft appellants eerste
arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 1 september 1991 en gesteld dat
dit overigens geen consequenties heeft, nu appellant, ook indien wordt
uitgegaan van de gewijzigde eerste arbeidsongeschiktheidsdag, niet
voldoet aan -een van- de hierboven genoemde entree-eisen. Met name niet
kan appellant aangemerkt worden als student daar in het refertejaar
-voorafgaande aan 1 september 1991- niet gedurende zes maanden de voor
zijn werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag werd genomen
door of in verband met het volgen van onderwijs.
In beroep is namens appellant primair aangevoerd dat de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen voor 1 september 1991 en wel
uiterlijk op 1 maart 1991. Hierbij wordt - mede onder verwijzing naar een
schriftelijke verklaring van appellants moeder - gesteld dat appellants
arbeidsongeschiktheid niet van de een op de andere dag, maar
geleidelijk is ontstaan waarbij reeds voor 1 september 1991 sprake was
van - al dan niet gedeeltelijke - arbeidsongeschiktheid. Appellant stelt
dat hij alsdan voldoet aan de entree-eis, daar hij - uitgaande van 1
maart 1991 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag - gedurende het
refertejaar ten minste zes maanden kan worden aangemerkt als student
gezien het feit dat hij tot 1 september 1990 heeft ingeschreven gestaan
als dagstudent en een uitkering ingevolge de Wet studiefinanciering
heeft ontvangen. Subsidiair is namens appellant betoogd dat, ook indien
de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ongewijzigd op 1 september 1991 gehandhaafd blijft, hij, gelet op de behaalde studie
resultaten in het studiejaar 1990/1991, waarin hij als extraneus stond
ingeschreven, en rekening houdende met de periode binnen dit studiejaar
waarover hij feitelijk deze studiepunten heeft behaald, zodat de
behaalde studiepunten - die staan voor een genormeerde studiebelasting -
slechts naar een gedeelte van het studiejaar moeten worden toegerekend,
voldoet aan de criteria om aangemerkt te worden als student en daarmee
voldoet aan de entree-eis, zodat hem ten onrechte een Wajong uitkering
is geweigerd door gedaagde.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding is gevonden
voor het vaststellen van een eerste arbeidsongeschiktheidsdatum die
gelegen is voor 1 september 1991. Gedaagde overweegt hierbij dat
appellant zich, voor de opname in het psychiatrisch ziekenhuis begin
september 1991, nimmer heeft gewend tot bijvoorbeeld de huisarts of de
Riagg. Voorts stelt gedaagde dat, uitgaande van 1 september 1991 als
eerste arbeidsongeschiktheidsdag, appellant niet voldoet aan de
criteria om aangemerkt te kunnen worden als student nu appellant in het
refertejaar van 1 september 1990 tot 1 september 1991 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers (Rww) heeft ontvangen, waarbij, ingevolge s Raads
jurisprudentie, de fictie van beschikbaarstelling voor arbeid het
zwaarst weegt. Appellant stond ingeschreven als extraneus op grond
waarvan hij was uitgesloten van het volgen van colleges en, uitgaande
van de in het studiejaar 1990/1991 totaal door appellant behaalde
studiepunten, kan, aldus gedaagde, niet gesteld worden dat klip en klaar
is dat appellant meer dan de helft van de voor arbeid beschikbare tijd
heeft besteed aan het volgen van onderwijs.
De rechtbank heeft het beroep in de in rubriek I genoemde uitspraak
ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat zij geen
aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de zienswijze van de
bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag. Aan de entree-eis heeft de rechtbank geen -
expliciete -
overwegingen gewijd.
Namens appellant zijn in hoger beroep de in beroep naar voren gebrachte
grieven herhaald. Hierbij is namens appellant voorts nog betoogd dat
het, in het licht van appellants psychische stoornis, niet verwonderlijk
mag worden genoemd dat hij zich niet eerder bij de huisarts of Riagg
heeft gemeld voor hulpverlening en dat dit derhalve niet uitgelegd kan
worden in die zin dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid
voorafgaande aan 1 september 1991. Daarnaast wordt gesteld dat, nu de
fictie van de beschikbaarstelling voor arbeid in gevolge de Rww middels
bewijsstukken - bestaande uit een overzicht van behaalde studiepunten,
met de data van de afgelegde tentamens - is weerlegd, gedaagde hier niet
langer aan vast kan houden. Het feit dat appellant in het studiejaar
1990/1991 heeft ingeschreven gestaan als extraneus maakt dit niet anders
nu appellant, zoals ter zitting door appellant uitdrukkelijk is gesteld,
wel colleges heeft gevolgd en overigens het merendeel van de behaalde
studiepunten betrekking heeft op het volbrengen van een stageperiode,
waarvoor geen colleges gevolgd hoefden te worden.
Gedaagde heeft zijn standpunt gehandhaafd.
De Raad overweegt als volgt.
Uitgaande van de in het dossier aanwezige stukken alsmede het
verhandelde ter zitting, is bij de Raad twijfel gerezen ten aanzien van
de juistheid van de door gedaagde bij het bestreden besluit nader
vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De Raad neemt hierbij in
overweging het wel zeer korte tijdsbestek dat is gelegen tussen de door
gedaagde aangenomen eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de datum van
eerste opname in een psychiatrisch ziekenhuis als direct gevolg van een
- als gevolg van appellants psychische stoornis - ernstig voorval op 2
september 1991. De Raad acht het zeker niet onaannemelijk - wat overigens
wordt bevestigd door de verklaring van appellants moeder - dat sprake is
geweest van een glijdende schaal ten aanzien van het ontstaan en beloop
van appellants psychische stoornis. Voorts kan, gelet op de aard van
appellants stoornis, niet zonder meer worden gesteld dat het niet
consulteren van de huisarts, de Riagg, of andere hulpverlenende
instanties betekent dat geen sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid.
In het licht van bovenstaande en in het verlengde hiervan de zeer
beperkte onderbouwing door gedaagdes (bezwaar)verzekeringsarts om 1
september 1991 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen,
acht de Raad het zeker niet uitgesloten dat appellant reeds
arbeidsongeschikt was voor 1 september 1991 zodat de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen in een periode voorafgaande aan
deze datum.
Overigens merkt de Raad hierbij nog op dat hij het enkele feit dat
appellant op 25 juni 1991 nog een tentamen - met goed gevolg - heeft
afgelegd niet van doorslaggevend belang acht om zonder meer aan te nemen
dat op dat moment nog geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, te meer
niet nu sprake was van een derde herkansing en van de zijde van
appellant ter zitting op vooralsnog niet ongeloofwaardige wijze
toegelicht dat appellant deze herkansing met zeer veel moeite en door
steun van zijn docenten heeft gehaald.
Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit in strijd is
genomen met het zorgvuldigheidsvereiste in de zin van artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een deugdelijke motivering als
bedoeld in artikel 7:2 van de Awb ontbeert. Dit leidt ertoe dat het
bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen
bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, voor
vernietiging in aanmerking komen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende
rechtsbijstand en een bedrag van 10,16 aan reiskosten in beroep en
een bedrag groot 644,- voor verleende rechtsbijstand en een bedrag
van 34,66 aan reiskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
tot een bedrag groot 654,16, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot 678,66, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|