|
Uitspraak
03/2329 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. drs. M.B. Kramer, advocaat te Enschede, op
bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 maart 2003, nummer
02/904 WAJONG W1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een nadere
rapportage van de bezwaarverzekeringsarts E. Khoe van 21 juli 2003.
Partijen hebben over en weer nog op elkaars standpunten gereageerd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 15 februari 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 15 januari 2002 heeft gedaagde met ingang van 17 oktober
2000 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Gedaagde heeft de ingangsdatum van de uitkering overeenkomstig artikel
29, tweede lid, van de Wajong bepaald op één jaar voor de datum waarop
de aanvraag is ingediend en daarbij aangegeven geen bijzondere
omstandigheden als bedoeld in dat artikellid aanwezig te achten.
Bij brief van 3 april 2002 heeft P.B.F. van der Tuuk, casemanager bij
Mediant geestelijke gezondheidszorg te Enschede, namens en met appellant
tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 12 september 2002 heeft gedaagde dit bezwaar wegens
niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Almelo heeft bij haar hiervoor vermelde uitspraak het
beroep tegen het besluit van 12 september 2002 (hierna: het bestreden
besluit) ongegrond verklaard.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Zowel in beroep als in hoger beroep heeft appellants gemachtigde
aangevoerd dat appellant lijdt aan de stoornis van Asperger, een
autistische spectrum stoornis, en dat hij tengevolge van de daaruit
voortvloeiende beperkingen niet in staat is geweest om tijdig bezwaar te
maken c.q. te laten maken. Deze stoornis, waarvan de aanwezigheid door
gedaagde ook niet wordt ontkend, veroorzaakt in significante mate
beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren, of het functioneren
op andere belangrijke terreinen.
De bezwaarverzekeringsarts Khoe heeft in een reactie bij verweer gesteld
dat in geding is de vraag of er sprake is van een bijzondere
omstandigheid op basis waarvan belanghebbende niet in staat kon worden
geacht om zelf een bezwaarschrift in te dienen of door een ander in te
laten dienen. Volgens Khoe kan op grond van de
richtlijnen/jurisprudentie bij een dergelijke beoordeling slechts sprake
zijn van bijzondere omstandigheden indien belanghebbende
ontoerekeningsvatbaar was in psychiatrische zin (bijvoorbeeld
psychotisch zijn of ernstig vitaal depressief zijn met als gevolg een
volledig verlies aan autonomie). Appellant heeft in het verleden ook
meermalen activiteiten ontplooid waarvoor een zekere mate van
handelingsbekwaamheid noodzakelijk is. Op grond van de aanwezige
medische gegevens kan er naar zijn mening, ondanks de diagnose, niet
gesproken worden van een ernstig psychiatrisch beeld met volledig
verlies van autonomie als evenbedoeld.
Ter ondersteuning van appellants standpunt heeft zijn gemachtigde
ingebracht rapportages van de Gz-psycholoog dr. M.F. Delfos van 20 juni
2003 en 12 november 2003 waarin zij - wat betreft laatstgenoemde
rapportage mede op basis van eigen onderzoek van appellant - het
wisselende beeld van functioneren van appellant beschrijft en verklaart
vanuit zijn stoornis. Het niet adequaat reageren op een uitspraak is te
plaatsen in het kader van een overweldigende weerstand die opgeroepen
wordt. Een kenmerkende aanwijzing voor het bestaan en de ernst van de
stoornis is het deels lezen en vervolgens niet verder lezen van de
primaire beslissing en in apathie terechtkomen, aldus dr. Delfos. Zij
gaf voorts naar aanleiding van de verwijzing van Khoe naar de DSM-IV
classificatie uit 1994 aan dat sedertdien de kennis over het syndroom
van Asperger is verdiept en deze classificatie op dit aspect herziening
behoeft.
De Raad is van oordeel dat op grond van het vorenstaande genoegzaam is
gebleken van redenen ter verontschuldiging van het verzuim van appellant
om het inleidende bezwaarschrift tijdig in te (laten) dienen. Het feit
dat hij bij tijd en wijlen wel in staat is om adequaat te reageren laat
onverlet dat in het ziektebeeld een grillig patroon van functioneren
besloten ligt, hetgeen gezien de feiten en omstandigheden naar het
oordeel van de Raad voor appellants situatie ook voldoende aannemelijk
is gemaakt.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit niet in stand kunnen blijven, zodat moet worden beslist als
hierna aangegeven in rubriek III.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep,
alsmede € 30,- aan reiskosten in hoger beroep voor het bezoek van
appellant aan de hiervoor genoemde, door hem ingeschakelde deskundige
Delfos.
Met betrekking tot de vordering van de kosten van de uitgebrachte
rapporten van dr. Delfos is de Raad van oordeel dat deze vordering ad.
€ 193,50 voor toewijzing in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw
besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.189,50, te betalen door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant de betaalde griffierechten van € 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|