|
Uitspraak
03/2975 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, op daartoe
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 mei 2003,
nr. 01/2256 Wajong, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 februari 2005,
waar voor appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen mr.
Polderman, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.J.
Koch, werkzaam bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de
volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant - in het genot van een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) - is in
1998 veroordeeld tot gevangenisstraf en aansluitende
terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging als bedoeld in artikel
37a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Gedaagde heeft bij besluit van 22 mei 2000, onder toepassing van artikel
17, vijfde lid, van de Wajong in verbinding met artikel XV van de Wet
sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg), appellants
Wajong-uitkering met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken, omdat appellant
op 1 mei 2000 is gedetineerd en deze detentie langer dan één maand
duurt.
Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
Bij brief van 4 april 2001 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met
het verzoek om de Wajong-uitkering te heropenen, omdat zijn detentie per
23 december 2001 is beëindigd.
Bij besluit van 7 mei 2001 heeft gedaagde geweigerd de uitkering te
heropenen, omdat - appellant is inmiddels geplaatst in een TBS-inrichting - opname in een
TBS-kliniek eveneens als detentie wordt beschouwd.
Bij besluit van 3 oktober 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de in rubriek I genoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep
ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellant (opnieuw) aangevoerd dat de
weigering de uitkering te heropenen in strijd is met het internationale
recht. Betoogd wordt (onder meer) dat de Wsg in strijd is met artikel 1
van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het, in
artikel 14 van het EVRM, neergelegde discriminatieverbod.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat in dit geding (uitsluitend) ter beoordeling
staat de weigering van gedaagde om appellants uitkering op grond van
artikel 20a van de Wajong te heropenen. Blijkens deze bepaling heeft de
jonggehandicapte, vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met
inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is.
Voor de toepassing van de Wajong wordt op grond van artikel 1, eerste
lid, aanhef en onder g, van de Wajong onder "rechtens zijn vrijheid
is ontnomen" verstaan: rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen
psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) en in artikel 37, eerste lid, Sr.
Onder "justitiële inrichting", zijnde de plaats waar men
verblijft als men rechtens de vrijheid is ontnomen, worden op grond van
artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wajong onder andere
verstaan een penitentiaire inrichting en een inrichting voor verpleging
van terbeschikkinggestelden.
In zijn uitspraak van 18 juni 2004, LJN AP4680 (gepubliceerd in
USZ 2004/255), heeft de Raad als zijn oordeel uitgesproken dat de Wsg in
overwegende mate de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De in deze
uitspraak behandelde rechtsvragen komen grotendeels overeen met de
namens appellant in de onderhavige zaak opgeworpen grieven. De in
genoemde uitspraak opgenomen overwegingen dienen, voorzover van belang,
in de onderhavige uitspraak dan ook als ingelast te worden beschouwd.
In deze uitspraak van 18 juni 2004 heeft de Raad geoordeeld dat het in
de Wsg gemaakte onderscheid tussen gedetineerde en niet-gedetineerde
uitkeringsgerechtigden en tussen degenen die zijn opgenomen in een
TBS-inrichting respectievelijk op grond van de Bopz of artikel 37,
eerste lid, Sr, in algemene zin de rechterlijke toetsing kan doorstaan
en derhalve, voorzover hier relevant, als geoorloofd moet worden
beschouwd. Door of namens appellant zijn geen feiten of omstandigheden
naar voren gebracht die meebrengen dat hierover in het onderhavige
geval anders moet worden geoordeeld.
De Raad voegt hier nog aan toe dat in het onderhavige geval de Wsg geen
ontneming oplevert van een op dat moment bestaand eigendomsrecht. De in
genoemde uitspraak door de Raad aanvaarde uitzondering op de
rechtmatigheid van de Wsg doet zich in het onderhavige geval dan ook
niet voor.
Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|