|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3196 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 25 december 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellante
een uitkering ingevolge de de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), toe te kennen omdat zij niet voldoet aan de
voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van de Wajong te worden
beschouwd.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt met als bijlagen een
aantal medische rapporten daterend uit de tijd dat appellante rond de 18
jaar was.
Bij besluit van 12 april 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 21 mei 2003, nummer WAJONG
02/556, het beroep tegen het besluit van 12 april 2002 (hierna: het
bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingezonden, waarop gedaagde heeft
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, vergezeld door haar zuster [naam
zuster], en waar namens gedaagde is verschenen mr. L. Ritsma, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag gedaagdes opvatting dat uit
de beschikbare medische gegevens niet is gebleken dat rond het 17e-18e
levensjaar van appellante, die op 27 augustus 1961 geboren is, sprake
was van ziekte of gebrek die leidt tot arbeidsbeperkingen.
In artikel 2, eerste lid van de Wajong
is bepaald dat arbeidsongeschikt
is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is
om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke
opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste
rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat
slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op
medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking
komende arbeid niet kan of mag verrichten.
De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens onvoldoende
aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de medische
beoordeling door gedaagdes (bezwaar)verzekeringsarts.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt het volgende.
Vanwege het feit dat appellantes vorige huisarts op haar verzoek al haar
medische gegevens vernietigd had, kon haar huidige huisarts geen
informatie aan gedaagdes verzekeringsarts verstrekken over appellantes
gezondheidstoestand op 17-jarige leeftijd.
In bezwaar is door appellante wel een aantal medische rapporten overlegd
die dateren uit de tijd van belang voor dit geding. Gedaagdes
bezwaarverzekeringsarts A. de Vries heeft deze rapporten in zijn
beschouwing betrokken en heeft als volgt overwogen:
"De huisarts beschikte niet over gegevens omtrent de
voorgeschiedenis; m.b.t. het heden sprak hij over een zwakke gezondheid.
Belanghebbende meldde, zo blijkt uit de rapportage van de
verzekeringsarts, vanaf jeugdige leeftijd diverse pijnen te hebben gehad
(hoofd, rug en buik) zonder dat er afwijkingen werden gevonden. Dit
vindt bevestiging in de thans ontvangen informatie. In de jaren rondom
het 17e-18e jaar werden door orthopeed, internist en neuroloog als enige
objectieve bevindingen een gering beenlengteverschil, een ontsteking aan
het maagslijmvlies en een lichte longfunctiestoornis geconstateerd. Deze
bevindingen waren alle van niet-ernstige aard en geven geen aanleiding
tot het opleggen van arbeidsbeperkingen. De conclusie van de
verzekeringsarts is onveranderd van kracht: uit de diverse
informatiebronnen is niet gebleken dat rond het 17e -18e jaar sprake was
van tot arbeidsbeperkingen leidende ziekte/gebrek."
In hoger beroep is van de zijde van appellante geen medische informatie
ingebracht die een ander licht werpt op haar toenmalige
gezondheidstoestand en die het aannemelijk maakt dat appellantes
medische situatie destijds beantwoordde aan het wettelijk
arbeidsongeschiktheidscriterium. De uitspraak van haar huisarts dat hij
ervan overtuigd is dat appellante, ondanks het ontbreken van een
aanwijsbare ziekte, niet in staat kan worden geacht om te werken doet
hier niet aan af. Dit geldt eveneens voor de schriftelijke en mondelinge
verklaring van appellantes zuster over haar gezondheidsproblemen op
jeugdige leeftijd. Op grond van die verklaring, welke een beeld geeft
van de bij appellante in haar jeugd bestaande klachten, kan niet worden
geoordeeld dat de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts op basis
van de beschikbare medische informatie rond het 17e-18e levensjaar van
appellante voor onjuist moeten worden gehouden.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april
2005.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|