|
Uitspraak
02/4873 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 22 december 2000 heeft gedaagde de aan appellante naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per april
1998 gehandhaafd naar een mate van 80% of meer, doch in verband met haar
inkomsten als gemeenteraadslid gedurende de periode van 14 april 1998
tot 19 maart 2000 gekort over de periode van 1 mei 1998 tot 1 april 2000 als
was zij gedurende de periode van 1 mei 1998 tot 1 maart 2000 ingedeeld
in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55-65% en gedurende de maand
maart 2000 in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65-80%.
Bij besluit van 16 januari 2001 heeft gedaagde van appellante als
onverschuldigd aan haar betaald over de periode van 1 mei 1998 tot 1
april 2000 van haar teruggevorderd f 16.389,04 (€ 7.437,02) bruto plus
overhevelingstoeslag.
Bij besluit op bezwaar van 23 april 2001 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante tegen de beide primaire besluiten ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 augustus 2002, kenmerk 01/485 WAJONG, heeft de
rechtbank Leeuwarden het beroep van appellante tegen het besluit van 23
april 2001 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 maart
2005. Voor appellante is verschenen mr. E. van der Heijden, werkzaam bij
SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Voor gedaagde is verschenen A.B.
Froentjes, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde
feiten, omstandigheden en van toepassing zijnde wettelijke bepalingen
verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek motivering van de
aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
Vast staat dat appellante naast de aan haar toegekende Wajong-uitkering
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer van 14 april
1998 tot 19 maart 2000 als gemeenteraadslid inkomsten heeft gehad. De
bezwaren van appellante gelden uitsluitend het vanwege die inkomsten
toepassen van een korting op de Wajong-uitkering alsook de
terugvordering en zijn toegespitst op de vraag of het haar
redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte (teveel)
Wajong-uitkering aan haar werd verstrekt.
Appellante betwist niet dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag
correct is (berekend).
Gedaagde heeft overwogen dat hij wettelijk verplicht is een besluit tot
toekenning van de Wajong-uitkering te herzien, indien ten onrechte of
tot een te hoog bedrag uitkering is verleend, en dat appellante
wettelijk verplicht is onverwijld eigener beweging mededeling te doen
van alle feiten of omstandigheden waarvan het redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.
Gedaagde heeft vervolgens aangegeven dat en gemotiveerd waarom naar zijn
mening is voldaan aan de eis van het redelijkerwijs duidelijk moeten
zijn.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld die mening van
gedaagde te delen. Om te komen tot de conclusie dat voldoende is vast
komen te staan dat appellante op de hoogte behoorde te zijn van het feit
dat gedaagde haar uitkeringsinstantie is, heeft de rechtbank met name
betekenis toegekend aan de door appellante op 13 oktober 1986
ondertekende, op een formulier van het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor (GAK) gestelde machtiging aan de bedrijfsvereniging
(voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen) om de
haar toekomende ”uitkering ingevolge de wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en of algemene
arbeidsongeschiktheidswet” uit te betalen aan de Postbank NV als haar
voormalige werkgever, aan de haar door gedaagde jaarlijks toegezonden
inkomsten-inlichtingenformulieren en aan de door haar op 19 juli 1987
bij gedaagde aangevraagde aanvullende uitkering op grond van de
Toeslagenwet (TW).
In hoger beroep heeft appellante herhaald haar eerder in bezwaar en
beroep ingenomen standpunt dat zij niet wist en niet redelijkerwijs
heeft kunnen weten dat gedaagde haar uitkeringsinstantie was. Toen zij,
werkzaam bij de Postgiro/Rijkspostspaarbank in 1984 arbeidsongeschikt
werd, heeft eerst het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en na de
privatisering van de Postgiro/Rijkspostspaarbank per 1 januari 1986 de
Postbank (inmiddels de ING-Bank) haar wegens psychische klachten een
volledig invaliditeitspensioen verstrekt. Voor haar zijn dan ook die
banken steeds de achtereenvolgende uitkeringsinstantie geweest.
Appellante heeft gesteld ook niet te hebben geweten dat destijds aan
haar als ambtenaar een uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke per 1 januari 1998 is omgezet in
een Wajong-uitkering, is toegekend, en ook nooit uitkeringsspecificaties
van gedaagde te hebben ontvangen; de inkomsten-inlichtingenformulieren
zijn telkenjare bij de bank ingevuld. Onder de gegeven omstandigheden
alsook gezien het tijdsverloop is appellante van mening dat zij niet
redelijkerwijs op de hoogte kon zijn en dat er een dringende reden
bestaat om af te zien van terugvordering.
De Raad overweegt als volgt.
Niet ondenkbaar is dat appellante zich na verloop van tijd niet meer
heeft gerealiseerd dat gedaagde de uitkeringsinstantie was en is, maar
de vraag waarom het hier gaat is of appellante zulks redelijkerwijs
duidelijk had kunnen en moeten zijn. Op grond van de door haar
ondertekende machtiging, de aan haar gerichte brief van de Postbank van
23 juni 1987 welke onder meer inhoudt dat de door de Postbank aan haar
per 1 mei 1987 te betalen invaliditeitsuitkering tevens de AAW-uitkering
omvat, de door haar jaarlijks ontvangen, ingevulde (maar - op dat van 18
april 2000 na - dus niet volledig) en ondertekende
inkomsten-inlichtingenformulieren alsook de door haar bij gedaagde
aangevraagde TW-uitkering beantwoordt ook de Raad die vraag bevestigend.
Voorts is onontkoombaar de conclusie dat appellante ten onrechte de in
de inlichtingenformulieren opgenomen vragen over inkomsten (behoudens
het op 18 april 2000 ondertekende formulier dat dan ook de aanzet heeft
gegeven tot het nadere onderzoek dat heeft geleid tot de besluiten tot
korting en terugvordering) met nee heeft aangekruist dan wel doen of
laten aankruisen.
De Raad deelt dan ook het oordeel van de rechtbank en kan zich tevens
geheel vinden in hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen.
Ter zitting heeft appellante herhaald haar stelling dat aan haar
telefonisch toezeggingen zijn gedaan door een tweetal met name genoemde
medewerksters van gedaagde waardoor zij er in alle redelijkheid op heeft
mogen vertrouwen dat haar inkomsten als gemeenteraadslid niet van
invloed waren op de hoogte van haar uitkering. In dat verband zijn
vanwege gedaagde aan haar bij brief van 16 mei 2000 excuses aangeboden.
Dienaangaande heeft de rechtbank overwogen dat die informatie, wat
daarvan verder ook zij, er niet aan af doet dat appellante onverwijld de
aanvang van haar werkzaamheden aan gedaagde had behoren te melden. De
Raad kan zich in deze overweging vinden. Op appellante rustte ingevolge
artikel 62 van de Wajong de verplichting om onverwijld eigener beweging
mededeling te doen van de inkomsten uit haar lidmaatschap van de
gemeenteraad. Aan die verplichting doen niet af de door gedaagde
jaarlijks aan appellante gezonden inkomsten-inlichtingenformulieren. Uit
de gedingstukken is ook niet duidelijk kunnen worden wat precies tijdens
die telefoongesprekken over en weer is gezegd en of de vanwege gedaagde
aan haar gedane onjuiste telefonische mededelingen waarvoor de excuses
zijn aangeboden voor appellante gedragsbepalend zijn geweest. Naar vaste
rechtspraak moet het gaan om een ondubbelzinnige schriftelijke
mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste
of onvolledige inlichtingen van betrokkene debet waren of dat de
onjuistheid van dat standpunt door betrokkene anderszins niet had
behoren te zijn onderkend, wil sprake zijn van een situatie die van
invloed kan zijn op de terugvordering. Daarvan is in dit geval zeker
geen sprake.
Van een of meer dringende redenen als bedoeld in artikel 55 van de
Wajong, op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan
worden afgezien, is de Raad ook anderszins niet kunnen blijken. Het
moet, zoals ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis, hierbij gaan
om uitzonderingen waarbij door de terugvordering voor de betrokkene
onaanvaardbare consequenties optreden, om incidentele gevallen waarin
iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een
individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient plaats te
vinden. Hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd ziet niet op
de gevolgen van de terugvordering, maar op het ontstaan ervan, en kan
dus niet leiden tot het aannemen van een dringende reden als hiervoor
bedoeld.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd
Aangezien voorts geen termen aanwezig zijn voor een
proceskostenveroordeling, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.
(get.) J. Jansen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|