|
Uitspraak
03/3256 WAO en 03/3257 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op bij
aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen twee door de rechtbank Maastricht op 18 juni 2003 tussen partijen
gegeven uitspraken (reg.nrs. AWB 2002/839 WAO en AWB 2002/840 AAW), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brief van
19 januari 2005 nadere stukken toegezonden.
Mr. Grégoire, voornoemd, heeft bij brieven van 5 april 2004 en 18
februari 2005 nadere informatie toegezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 2005,
waar appellante - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar
namens gedaagde is verschenen B. Drossaert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was via Manpower Uitzendorganisatie BV werkzaam bij Nedcar
toen zij op 28 juni 1999 uitviel met onder andere klachten van haar
rechterarm. Gedaagde weigerde aanvankelijk appellante uitkering van
ziekengeld te verstrekken, onder de overweging dat de
arbeidsongeschiktheid van appellante reeds bestond bij aanvang van haar
verzekering. Na gegrondverklaring van het bezwaar tegen deze beslissing
bij besluit van 19 mei 2000 kende gedaagde appellante alsnog over de
maximale termijn van 52 weken ziekengeld toe.
Appellante had inmiddels in november 1999 een aanvraag om uitkering op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
ingediend, waarop gedaagde bij besluit van 10 juli 2000 afwijzend
reageerde. Het bezwaar tegen dit besluit verklaarde gedaagde gegrond
omdat de aanspraken van appellante niet op grond van de Wajong maar op
grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) hadden moeten
worden beoordeeld.
Na nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek weigerde gedaagde appellante
bij twee afzonderlijke besluiten van 3 augustus 2001 uitkering krachtens
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen na
het bereiken van de wachttijd op 25 juni 2000, omdat de mate van
arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen, respectievelijk
AAW-uitkering toe te kennen omdat appellante op en na 6 mei 1996 minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. Bij
afzonderlijke besluiten van 27 mei 2002 (hierna: bestreden WAO-besluit,
respectievelijk bestreden AAW-besluit) verklaarde gedaagde beide
bezwaren van appellante ongegrond. De rechtbank verklaarde beide
beroepen, eveneens bij afzonderlijke uitspraken, ongegrond.
In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat de
bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft gemeld dat er geen objectieve
afwijkingen aan haar rechterarm zijn. Ten bewijze van de stelling dat er
wel sprake is van objectieve afwijkingen heeft zij stukken in geding
gebracht met betrekking tot een aan haar in bruikleen verstrekte elektrostimulator, een door haar ondergane behandeling middels een
mannitolinfuus en een aangebracht inwendig apparaat voor inwendige
neurostimulatie (ESES). Tevens heeft zij gesteld dat zij op grond van de
beperkingen aan haar arm niet in staat is de geselecteerde functies te
verrichten en dat de redenering dat zij geen jeugdgehandicapte kan zijn
omdat zij in het verleden heeft gewerkt, onjuist is.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad overweegt allereerst dat het in deze gedingen gaat om twee te
beoordelen data, namelijk 6 mei 1996 en 26 juni 2000. De
verzekeringsarts X. Janssen-Brandt heeft zich blijkens haar rapport van
13 maart 2001 op het standpunt gesteld dat er reeds voor de 17e verjaardag pols- en rugklachten aanwezig waren, dat die hebben
geleid tot het aannemen van beperkingen op de 17e verjaardag en dat
nadien geen sprake is geweest van een toename of afname van die
beperkingen. Mede omdat appellante dit standpunt niet heeft betwist,
gaat de Raad uit van de juistheid van dit standpunt.
Het standpunt van appellante dat de bezwaarverzekeringsarts heeft gemeld
dat er geen objectieve afwijkingen aan haar rechterarm zijn is juist.
Dit betekent echter geenszins dat er geen rekening is gehouden met
beperkingen in het gebruik van de rechterarm. Appellante is op 1 mei
2000 en op 13 maart 2001 op het spreekuur gezien door de
verzekeringsarts Janssen-Brandt. Blijkens haar rapportages van
laatstgenoemde datum en van 2 en 23 mei 2000 is er sprake van
gewrichtsklachten van de rechterpols als gevolg van frequente ongevallen
aan de rechterarm die appellante sinds haar jeugd zijn overkomen.
Janssen-Brandt acht het aannemelijk dat de beperkingen in de
rechteronderarm vanaf de vroege jeugd aanwezig zijn, maar dat de
klachten pas ontstonden bij belasting na het starten van werk. Bij het
opstellen van het belastbaarheidspatroon heeft Janssen-Brandt rekening
gehouden met onder meer de polsklachten. De huisarts van appellante
heeft desgevraagd aan Janssen-Brandt bij brief van 9 mei 2000 informatie
verstrekt, waaruit blijkt dat appellante in 1997 bij de orthopedisch
chirurg is geweest in verband met de pijnklachten aan de rechterpols,
dat er toen bij röntgenonderzoek en arthrogram geen afwijkingen zijn
gevonden, dat een expectatief beleid is uitgezet, dat appellante zich in
maart 1998 weer bij de huisarts heeft gemeld vanwege haar aanhoudende
polsklachten en dat haar toen is geadviseerd polsoefeningen te doen.
De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft blijkens haar rapport van 8
november 2001 tevens aangegeven dat de oorzaak van de klachten aan de
rechteronderarm niet geheel duidelijk zijn, maar dat de klachten
imponeren als plausibel en consistent. In haar rapport van 25 april 2002
heeft Jonker expliciet aangegeven dat zij zich kan verenigen met het
door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon dat er op
neerkomt dat zware belasting van de rechterhand en rechterpols vermeden
moet worden.
De door appellante in geding gebrachte stukken met betrekking tot de elektrostimulator, het mannitolinfuus en de ESES hebben de Raad geen
aanleiding gegeven om te oordelen dat op het punt van de belastbaarheid
van de rechterpols en rechteronderarm appellante minder te belasten zou
zijn dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Het betreft hier
namelijk geen informatie van behandelend artsen, maar een
bruikleenovereenkomst, afsprakenkaartjes en een van internet afkomstig
artikel over neurostimulatie bij chronische pijn van de Patiënten
Vereniging Voor Neurostimulatie. Zoals hiervoor reeds is overwogen wordt
niet betwist dat appellante pijn heeft aan haar pols en wordt zij, omdat
haar klachten plausibel en consistent zijn, beperkt geacht bij het
gebruiken van de rechterpols en rechteronderarm. Ook overigens heeft de
Raad geen aanleiding gevonden de vastgestelde belastbaarheid niet juist
te achten.
De Raad is voorts van oordeel dat de belasting van de voor appellante
geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet
overschrijdt. De Raad onderschrijft daarbij met name de constatering van
Jonker in haar rapport van 21 juni 2002 dat in geen van de functies
zwaardere handbelasting (zware schroefbewegingen, het hanteren van zwaar
gereedschap, zwaar tillen, etc.) voorkomt, evenmin als grove trillingen
op de arm. Het loon van de mediane functie, afgezet tegen het
maatmaninkomen, levert op 6 mei 1996 geen verlies aan verdiencapaciteit
op en op 26 juni 2000 een verlies aan verdiencapaciteit van 2,9%.
Gedaagde heeft dan ook terecht met ingang van respectievelijk 6 mei 1996
en 26 juni 2000 arbeidsongeschiktheidsuitkering geweigerd.
Ten aanzien van het bestreden AAW-besluit overweegt de Raad tenslotte
dat gedaagde de aanvraag van appellante terzake van haar gestelde op 8
mei 1995 ingetreden arbeidsongeschiktheid op goede gronden heeft
beoordeeld aan de hand van artikel 5 van de AAW, zoals dat artikel tot 1
januari 1998 luidde. Door de intrekking van de AAW per laatstgenoemde
datum is het echter vanaf 1 januari 1998 niet meer mogelijk een
AAW-uitkering toe te kennen, dan wel te weigeren. De Raad leest het
bestreden AAW-besluit dan ook als een weigering Wajong-uitkering toe te
kennen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 4 mei 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|