|
Uitspraak
03/3098 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 21 december 2001 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld
dat hij een deel van de uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering jongehandicapten (Wajong) over de
periode van 1 mei 2000 tot en met 30 november 2001 ten onrechte heeft
ontvangen en dat het onverschuldigd betaalde bedrag van f. 8.376,16 (€
3.800,94) van hem wordt teruggevorderd.
Het daartegen gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij
zijn besluit op bezwaar van 27 juni 2002, hierna: het bestreden besluit.
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 14 mei 2003, nr: 02/587
WAJONG, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M. van der Zee, advocaat te Enschede, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij faxbericht van 24 maart 2005 heeft gedaagde op verzoek van de Raad
nadere informatie toegezonden.
Het geding is behandeld op de zitting van 29 maart 2005 van de Raad waar
appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. M. Ubbink, advocaat te
Enschede die mr. M. van der Zee heeft opgevolgd als gemachtigde van
appellant. Tevens was aanwezig M.C. Witvoet, de moeder van appellant.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.H. Harbers.
II. MOTIVERING
Appellant heeft naast zijn uitkering ingevolge de Wajong, welke
laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%, werkzaamheden verricht.
Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde bij besluit van 14 november 2001
aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wajong met
ingang van 1 mei 2000 wordt betaald als ware hij 45 tot 55%
arbeidsongeschikt in de zin van die wet. Bij besluit van gelijke datum
is aan appellant meegedeeld dat zijn aanvulling op de Wajong-uitkering
met ingang van 1 mei 2000 wordt vastgesteld op f. 16,59.
Bij besluit van eveneens 14 november 2001 heeft gedaagde aan appellant
meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wajong met ingang van 1 mei
2001 wordt betaald als ware hij 35 tot 45% arbeidsongeschikt. Bij
besluit van wederom 14 november 2001 heeft gedaagde aan appellant
meegedeeld dat zijn aanvulling op de Wajong-uitkering met ingang van 1
mei 2001 wordt vastgesteld op f. 14,04.
Het tegen de kortingsbesluiten van 14 november 2001 gemaakte bezwaar
heeft gedaagde niet-ontvankelijk verklaard bij besluit op bezwaar van 17
mei 2002. Vast staat dat laatstgenoemd besluit rechtens onaantastbaar is
geworden.
Vervolgens heeft gedaagde de in rubriek I van deze uitspraak vermelde
besluiten genomen en de rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep ongegrond verklaard bij haar uitspraak van 14 mei
2003.
Appellant kan zich met die uitspraak niet verenigen en heeft daartegen
aangevoerd dat de besluiten van 14 november 2001 evident onjuist zijn en
dat hem niet redelijkerwijs duidelijk was dan wel kon zijn dat teveel
uitkering is verstrekt. Tevens heeft appellant zich op het standpunt
gesteld dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te
zien. Deze zijn volgens appellant gelegen in het door mevrouw
Dettingmeijer opgewekte vertrouwen alsmede in het tijdsverloop gelegen
tussen de werkzaamheden van appellant in verband waarmee zijn uitkering
is gekort en het primaire besluit tot terugvordering.
Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd komt tevens naar voren dat naar
zijn mening niet inzichtelijk is gemaakt op grond van welke feiten en/of
omstandigheden een herziening in casu zou moeten leiden tot een
terugvordering. Volgens appellant zou gelet op de brief van 14 november
2001 betreffende de aanvulling op de uitkering een nabetaling evenzeer
in de rede hebben gelegen.
Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat hij alles op tijd
heeft opgegeven en dat gedaagde desondanks niet adequaat heeft
gereageerd, hetgeen aan de terugvordering in de weg zou staan. Daarbij
heeft appellant ter zitting een beroep gedaan op de uitspraak van 27
november 2002, RSV 2003/78. Appellant is subsidiair van mening dat het
bedrag aan terugvordering dient te worden gematigd. Tot slot heeft hij
aangevoerd dat de invordering zich over jaren zal uitstrekken en dat dit
betekent dat sprake is van zware financiële consequenties voor hem.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Wajong, is het
uitvoeringsorgaan gehouden hetgeen onverschuldigd is betaald, terug te
vorderen. In lijn met zijn uitspraken van 18 november 2003 en 3 november
2004, LJN AN9715 (gepubliceerd in AB 2004/72) respectievelijk LJN
AR5555, is de Raad van oordeel dat, nu de kortingsbesluiten van 14 november 2001 rechtens onaantastbaar zijn geworden, anders dan de
rechtbank heeft gedaan, voor een beoordeling van de rechtmatigheid van
die besluiten geen plaats meer is. Hieruit vloeit voort dat voor
beoordeling van de argumenten van appellant die ertoe strekken dat de
besluiten van 14 november 2001 evident onjuist zouden zijn in verband
waarmee appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel
uitkering ontving, in de onderhavige procedure geen plaats is. Daarmee
staat de gehoudenheid van gedaagde om tot terugvordering over te gaan
vast.
Het voorgaande neemt uiteraard niet weg dat de besluiten van 14 november
2001 de grondslag vormen voor het bij het bestreden besluit gehandhaafde
terugvorderingsbesluit. Uit de nadere specificatie overgelegd bij
faxbericht van 24 maart 2005 komt naar het oordeel van de Raad
voldoende duidelijk naar voren welke terugvorderingsbedragen zijn toe te
schrijven aan de besluiten van 14 november 2001 tot korting van de
Wajong uitkering en welke bedragen zijn toe te schrijven aan de
besluiten van 14 november 2001 betreffende de nadere vaststelling van de
aanvulling op de Wajong uitkering op grond van artikel 50, vijfde en
zesde lid, van de Wajong in samenhang met artikel 11 van de Regeling
samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met inkomsten uit arbeid
(Stcrt. 1994, 34), zoals deze regeling luidde ten tijde in geding.
Hoewel de Raad op basis van de bedoelde nadere specificatie van de
terugvordering is gebleken dat het terugvorderingsbedrag zoals
weergegeven op deze nadere specificatie (€ 3.794,20) iets lager is dan
het bedrag genoemd in het primaire besluit (€ 3.800,94) leidt deze
constatering niet tot het oordeel dat het bestreden besluit geen stand
kan houden omdat de Raad het aannemelijk acht dat het verschil te wijten
is aan afrondingsverschillen.
Voorts overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak, zie
bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 maart 2001, USZ 2001/140,
de strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling als artikel
55, eerste lid, van de Wajong eerst in strijd met het
rechtzekerheidsbeginsel is te achten indien sprake is van een bijzonder
geval. Gewekte verwachtingen leveren eerst dan zo’n bijzonder geval op
indien gewezen kan worden op een ondubbelzinnige, schriftelijke
mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste
of onvolledige inlichtingen van betrokkene debet waren en waarbij de
onjuistheid van dat standpunt door betrokkene anderszins niet had
behoren te zijn onderkend. In dit geval is de Raad daarvan niet
gebleken.
Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 27 november
2002, gepubliceerd in RSV 2003/78 kan niet slagen. Ten eerste ging het
in dat geval om de toepassing van artikel 27, tweede lid, van de WW, het
opleggen van een maatregel, en niet om een terugvorderingsbesluit zoals
thans aan de orde. In dit geval is voorts niet gebleken van zodanig
onzorgvuldig handelen van gedaagde als waarvan in de uitspraak van 27
november 2002 sprake is. In het onderhavige geval heeft appellant
weliswaar eveneens aan zijn inlichtingenverplichting voldaan maar is
geen sprake geweest van intensief contact tussen appellant en gedaagde
op basis waarvan het gerechtvaardigde vertrouwen bij appellant is gewekt
dat niet tot terugvordering zou worden overgegaan.
Onder verwijzing naar zijn hierboven genoemde in USZ 2001/140
gepubliceerde uitspraak, overweegt de Raad dat een eventuele schending
van het vertrouwensbeginsel geen dringende redenen opleveren als bedoeld
in artikel 55, tweede lid, van de Wajong.
Voor het aannemen van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien omdat sprake zou zijn van vertraagde
besluitvorming, ziet de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8
december 2004, LJN AR7397 evenmin ruimte omdat van een dringende reden
slechts kan worden gesproken als de terugvordering onaanvaardbare
sociale of financiële consequenties heeft voor de betrokkene. De duur
van de periode waarover wordt ingevorderd en het bedrag aan invordering
van € 22,69 per maand leiden niet tot consequenties in voren bedoelde
zin.
Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe overweegt de Raad dat
namens appellant reeds tijdens de hoorzitting van 31 mei 2002 is
verzocht om een nadere specificatie van de terugvordering. De hoorder
heeft blijkens het verslag van de hoorzitting aangegeven daarover niet
te beschikken terwijl uit de fax van 24 maart 2005 blijkt dat de thans
overgelegde specificatie dateert van 22 mei 2002 hetgeen betekent dat
deze ten tijde van de hoorzitting reeds beschikbaar was. De proceskosten
worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in
totaal € 1288,-.
Op basis van voorgaande overwegingen ziet de Raad aanleiding gedaagde op
grond van artikel 25, tweede lid, van de Beroepswet te veroordelen tot
vergoeding van het betaalde griffierecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|