|
Uitspraak
01/3406P WAJONG
V E R Z O E K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
1. FEITEN EN
PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
[appellant] is geboren [in] 1975 en heeft de Nederlandse nationaliteit.
Hij heeft een lichte verstandelijke handicap. Aan hem is met ingang van
26 september 1993 een uitkering toegekend op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke per 1 januari 1998 is omgezet in
een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong). [appellant] is steeds 80 tot 100 %
arbeidsongeschikt geacht omdat er op de vrije arbeidsmarkt onvoldoende
functies kunnen worden aangewezen die, objectief beschouwd, zijn
berekend voor zijn krachten en bekwaamheden.
[appellant] werkte sinds 1 februari 1994 in een aangepaste functie in
loondienst bij [naam Bouwmarkt] te [vestigingsplaats] (Nederland). Op
grond van oorspronkelijk de Wet arbeid gehandicapte werknemers en sinds
1 januari 1998 de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea)
werd deze werkgever ontslagen van zijn verplichting, aan [appellant] ten
minste het wettelijk minimumloon te betalen. [appellant] verdiende in
een volledige dagtaak 70% van het wettelijk minimumloon. Hoewel
[appellant] onverminderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd geacht, werd
daarom zijn Wajong-uitkering uitbetaald als ware hij 25 tot 35%
arbeidsongeschikt.
Op 1 juni 1999 is [appellant] verhuisd naar België. Bij besluit in
primo van 28 juni 1999 heeft gedaagde in verband daarmee besloten de
Wajong-uitkering van [appellant] per 1 juli 1999 te beëindigen. De aan
de werkgever van [appellant] verleende loondispensatie bleef na de
verhuizing van [appellant] van kracht. Omdat zijn inkomen uit arbeid
niet langer werd aangevuld met een Wajong-uitkering heeft [appellant]
zijn werkgever verzocht zijn loon te verhogen tot het wettelijk
minimumloon. De werkgever heeft dit geweigerd en het dienstverband is
verbroken. Sinds 5 juli 1999 is [appellant] werkzaam in dienstbetrekking
bij [naam Bouwmarkt BV] te [vestigingsplaats 2], Nederland, tegen het
wettelijk minimumloon. In 2001 is [appellant] weer in Nederland komen
wonen.
Bij het nemen van het besluit in primo heeft het Uwv toepassing gegeven
aan artikel 17, lid 1, aanhef en sub c van de Wajong. Op grond van deze
bepaling wordt de uitkering ingetrokken met ingang van de eerste dag van
de maand volgende op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is
gaan wonen.
Bij het besluit van 17 september 1999 heeft gedaagde het bezwaar van
[appellant] tegen het besluit van 28 juni 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van [appellant] tegen het
besluit van 17 september 1999 bij uitspraak van 16 maart 2001 ongegrond
verklaard. [appellant] is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
2. OVERWEGINGEN
De rechtbank Amsterdam heeft bij tussenuitspraak van 4 april 2005, nr.
AWB 00/3447 WAJONG en nr. AWB 03/3540 WAJONG, in de gedingen tussen J.J.
Kersbergen-Lap en D. Dams-Schipper en de Raad van Bestuur van het UWV,
vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (het Hof) inzake de rechtmatigheid van de intrekking van
de Wajong-uitkering bij verhuizing naar een andere lidstaat (zaak
C-154/05). De vraag die in deze gedingen aan het Hof is gesteld, rijst
ook in het onderhavige geding. De situatie van [appellant] verschilt
echter van de situatie van Kersbergen-Lap en Dams-Schipper doordat
[appellant], anders dan de andere belanghebbenden, in Nederland is
blijven werken. In verband hiermee acht de Raad het wenselijk aan de
beschouwingen van de rechtbank Amsterdam, waarnaar zij verwijst en die
zij onderschrijft, enkele beschouwingen toe te voegen specifiek met het
oog op de situatie van [appellant]. Voorts is de Raad van oordeel dat in
het onderhavige geding vragen moeten worden gesteld over de betekenis
van Verordening (EEG) nr. 1612/68 (Verordening nr. 1612/68).
2.1 Relevante nationale regelgeving
Naast de door de rechtbank Amsterdam beschreven regelgeving zijn in het
geval van [appellant] nog de volgende bepalingen van belang.
De AAW bevatte een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor alle
ingezetenen van Nederland die jonger waren dan 65 jaar (art. 4 AAW).
Krachtens deze wet konden onder andere personen die op hun 17e
verjaardag reeds arbeidsongeschikt waren, in beginsel vanaf hun 18e jaar
aanspraak maken op een uitkering op minimumniveau voor
jeugdgehandicapten (art. 6, lid 1, sub b AAW). De verzekerden betaalden een premie waarvan
de hoogte afhankelijk was van het belastbare inkomen (artt. 6 tot en met
10 Wet Financiering volksverzekeringen). De premies werden gestort in
het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds. Uit dit fonds werden ook de
uitkeringen betaald.
Per 1 januari 1998 is de AAW voorzover hier van belang vervangen door de
Wajong. De AAW-uitkering van jeugd- gehandicapten werd met ingang van
die datum van rechtswege omgezet in een uitkering op minimumniveau voor
jonggehandicapten op grond van de Wajong.
Arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong is degene die als (...) gevolg
van ziekte of gebreken (...) niet in staat is om met arbeid te
verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en
ervaring (...) met arbeid gewoonlijk verdienen (art. 2, lid 1 van de
Wajong). Onder “arbeid” wordt daarbij verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is (art. 2, lid 5, van de Wajong).
Het kan voorkomen dat een jonggehandicapte die recht heeft op een
Wajong-uitkering, arbeid verricht. Op grond van artikel 7, tweede lid van de Wet
Rea vermindert gedaagde, indien de
arbeidsprestatie van een arbeidsgehandicapte werknemer in een bepaalde
functie ten gevolge van ziekte of gebreken duidelijk minder is dan
normaal, op verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte
van de beloning naar evenredigheid, zo nodig in afwijking van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Een dergelijke loondispensatie
blijft van kracht als de werknemer naar een andere Lid-Staat verhuist.
Als de jonggehandicapte inkomsten uit arbeid geniet wordt, zolang niet
vaststaat of deze arbeid duurzaam kan worden verricht, de
Wajong-uitkering niet ingetrokken of herzien. De uitkering wordt dan
betaald tot een bedrag ter grootte van de uitkering die zou zijn
vastgesteld als betrokkene zijn arbeid wel duurzaam kon verrichten. In
het algemeen vindt een dergelijke fictieve schatting voor ten hoogste
een tijdvak van drie jaar onafgebroken plaats. Na afloop hiervan vindt
een definitieve herziening of intrekking van de uitkering plaats (art.
50 van de Wajong).
Op grond van artikel 11 van de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid geldt de
termijn van drie jaar echter niet voor de persoon voor wie
loondispensatie is verkregen op grond van de Wet Rea en die op grond van
deze Wet of anderszins persoonlijke ondersteuning geniet. Voor deze
persoon wordt de Wajong-uitkering voor onbepaalde duur berekend op basis
van de omschreven fictieve schatting. Als de betrokkene ziek wordt,
wordt de Wajong-uitkering binnen vier weken verhoogd nadat de inkomsten
uit arbeid wegens ziekte geheel of gedeeltelijk vervallen (art. 4
Beleidsregels uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten
uit arbeid).
Degene die in Nederland arbeid in loondienst verricht, is vanaf de
eerste werkdag verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Dit geldt ook voor de
jonggehandicapte die arbeid in loondienst verricht. Voor
jonggehandicapten is de verzekering op grond van de WAO echter van
beperkte betekenis.
Op grond van artikel 18, tweede lid, van de WAO is degene die bij
aanvang van zijn WAO-verzekering al gedeeltelijk arbeidsongeschikt is,
slechts verzekerd voor de op dat moment nog bestaande verdiencapaciteit.
Op grond van de WAO wordt dan ook geen aanvullende uitkering verstrekt
aan de jonggehandicapte wiens inkomen uit arbeid vanwege een aan de
werkgever verleende loondispensatie minder dan het wettelijk minimumloon
bedraagt.
Daarnaast is gedaagde op grond van artikel 30 van de WAO bevoegd,
algehele arbeidsongeschiktheid die reeds bestond bij aanvang van de
WAO-verzekering geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, buiten
aanmerking te laten. De Raad van Bestuur kan derhalve uitkering weigeren
aan de jonggehandicapte die bij aanvang van zijn WAO-verzekering naar
objectieve maatstaven gemeten volledig ongeschikt was voor arbeid op de
vrije arbeidsmarkt, maar in een aangepaste functie arbeid heeft verricht
en daarvan uitvalt wegens ziekte of gebreken.
Gedaagde paste de bevoegdheid tot weigering van een WAO-uitkering bij
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ten tijde in geding
toe met hantering van de volgende beleidsregels. Als de verzekerde de
uitval heeft kunnen verwachten wordt de uitkering als regel geweigerd.
Als de verzekerde de uitval niet heeft kunnen verwachten en zes maanden
normaal arbeid heeft verricht wordt de uitkering als regel niet
geweigerd. “Normaal” arbeid verrichten betekent in dit verband onder
andere: tegen een normale beloning. Er bestaat meer aanleiding tot
weigering van een uitkering als de verzekerde voor het eerst aan het
arbeidsleven is gaan deelnemen. Er bestaat minder aanleiding tot
weigering als sinds de aanvang van de verzekering meer tijd is
verstreken. Er is minder aanleiding te weigeren naarmate vóór
toepassing van de bevoegdheid langer uitkering is verstrekt (zie het
Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid WAO, WAZ en
Wajong d.d. 8 juli 1998, Stcrt. 1998, 140).
De jonggehandicapte die in een aangepaste functie werkt tegen een lagere
dan de gebruikelijke beloning, werkt niet “normaal” in de zin van
deze beleidsregel. In een dergelijk geval zal gedaagde, afhankelijk van
de overige omstandigheden van het geval, zijn bevoegdheid tot weigering
van de uitkering in volle omvang kunnen toepassen. Ten aanzien van de
jonggehandicapte die tegen een normale beloning is gaan werken zal
gedaagde, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, bij uitval
gedurende de eerste tijd na aanvang van de werkzaamheden zijn
bevoegdheid toepassen.
2.2 Relevante Europese regelgeving
De Raad verwijst voor de relevante Europese regelgeving naar de door de
rechtbank Amsterdam genoemde bepalingen. Met het oog op de situatie van
[appellant] zijn daarnaast nog de volgende bepalingen van belang.
Artikel 18, eerste lid, EG bepaalt:
Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de
lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de
beperkingen en de voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter
uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
Artikel 39 EG bepaalt, voorzover hier van belang:
1. Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij.
2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van
nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de
werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
Artikel 13, lid 2, onder a van verordening nr. 1408/71 luidt:
2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
a. is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden
in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs
indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien
de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij
hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere
Lid-Staat.
In de considerans van verordening nr. 1612/68 wordt uiteengezet dat
1. het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap uiterlijk aan
het einde van de overgangsperiode tot stand moet zijn gebracht; dat de
verwezenlijking van dit doel de afschaffing inhoudt van elke
discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers der
Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige
arbeidsvoorwaarden, alsook het recht voor deze werknemers, om zich vrij
binnen de Gemeenschap te verplaatsen om er arbeid in loondienst te
verrichten, behoudens de uit hoofde
van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid
gerechtvaardigde beperkingen;
(...)
3. het recht van alle werknemers van de Lid-Staten om de arbeid van hun
keuze binnen de Gemeenschap te verrichten moet worden bevestigd;
4. dit recht zonder onderscheid moet worden toegekend aan 'permanente'
werknemers, seizoenarbeiders, grensarbeiders of werknemers die arbeid in
dienstverlening verrichten.
Artikel 7 van verordening nr. 1612/68 bepaalt vervolgens:
1. Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het
grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit
anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle
voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van
beloning, ontslag en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling
in het beroep of wedertewerkstelling.
2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale
werknemers.
Artikel 42, tweede lid, van Verordening nr. 1612/68 luidt:
Deze verordening doet geen afbreuk aan de overeenkomstig artikel 51 van
het Verdrag vastgestelde bepalingen.
2.3 Overwegingen t.a.v. verordening nr. 1408/71
Gedaagde is van oordeel dat de intrekking van de Wajong-uitkering van
[appellant] niet in strijd is met artikel 10 van Verordening (EEG) nr.
1408/71, aangezien in het onderhavige geval artikel 10 bis van
Verordening (EEG) 1408/71 van toepassing is.
In deze situatie rijst in de eerste plaats de vraag of een uitkering op
grond van de Wajong, die wordt vermeld in bijlage II bis bij Verordening
1408/71, dient te worden aangemerkt als een bijzondere, niet op premie-
of bijdragebetaling berustende prestatie als bedoeld in artikel 4, lid 2
bis, van Vo 1408/71, zodat op personen zoals appellant in het
hoofdgeding uitsluitend de bij artikel 10 bis van Vo 1408/71 ingevoerde
coördinatieregeling moet worden toegepast en deze Wajong-uitkering
derhalve niet kan worden verstrekt aan iemand die buiten Nederland
woont.
De Raad verwijst in dit kader naar de overwegingen van de rechtbank
Amsterdam en sluit zich hierbij aan. De Raad vraagt zich overigens nog
af of het voor de beantwoording van de door de rechtbank Amsterdam
gestelde vraag verschil maakt of de betrokkene oorspronkelijk een
AAW-uitkering voor jeugdgehandicapten ontving, welke per 1 januari 1998
van rechtswege is omgezet in een uitkering krachtens de Wajong.
Uitkeringen krachtens de AAW werden immers wel uit premies gefinancierd.
Specifiek met het oog op de situatie van de jonggehandicapte die, zoals
[appellant], na zijn verhuizing naar een andere lidstaat in Nederland in
loondienst blijft werken, voegt de Raad aan de overwegingen van de
rechtbank nog het volgende toe.
Op grond van artikel 13, eerste lid, en tweede lid, onder a, van
Verordening nr. 1408/71 is degene die in één Lid-Staat werkzaamheden
in loondienst verricht, bij uitsluiting onderworpen aan de wetgeving van
die Lid-Staat. Aan de ingezetene van Nederland die reeds bij het
bereiken van de 17-jarige leeftijd geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt was, wordt op aanvraag een Wajong-uitkering toegekend
die is berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid. Vanaf het moment
waarop deze persoon werkzaamheden in loondienst verricht, is hij tevens
tegen arbeidsongeschiktheid verzekerd ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De materiële betekenis van
deze verzekering is echter beperkt, zoals hierboven reeds werd
toegelicht. Op grond van de WAO bestaat geen aanspraak op een aanvulling
van het inkomen uit arbeid, wanneer dit op grond van verleende
loondispensatie lager is dan het wettelijk minimumloon.
De jonggehandicapte die bij de aanvang van zijn WAO-verzekering
gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, en wiens klachten toenemen, ontvangt
slechts een WAO-uitkering voor het verlies aan verdiencapaciteit dat na
aanvang van zijn verzekering is ingetreden.
De jonggehandicapte die bij de aanvang van zijn verzekering theoretisch
reeds volledig arbeidsongeschikt was, kan, wanneer zijn klachten
toenemen en hij zijn (aangepaste) werk niet meer (in volle omvang) kan
verrichten, geconfronteerd worden met een weigering van een
WAO-uitkering.
In een uitsluitend nationale situatie leveren de beide laatste situaties
geen probleem op omdat dan de Wajong-uitkering wordt verhoogd of opnieuw
tot uitbetaling komt. Aldus is de (feitelijke) verdiencapaciteit van een
jonggehandicapte in de situatie van [appellant] in feite niet door
middel van de WAO verzekerd, maar door middel van de Wajong. De Wajong
functioneert dan als het ware als een vangnet voor het feit dat
jonggehandicapten in een aantal gevallen geen recht op een uitkering
ingevolge de WAO kunnen verwerven.
Als de jonggehandicapte in een andere lidstaat woont kan hij echter geen
aanspraak maken op een uitkering op grond van de Wajong. Het vangnet dat
in nationale situaties aanwezig is voor de jonggehandicapte werknemer,
ontbreekt hier. Aldus brengt het aanmerken van de Wajong als een
bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie,
voor deze jonggehandicapte werknemer een belangrijke lacune mee in zijn
bescherming krachtens de Nederlandse wetgeving.
De vraag is of deze lacune door de regeling van de verordening in
algemene zin voldoende wordt gecompenseerd.
Artikel 10 bis, tweede en derde lid, versoepelt de voorwaarden waaronder
de betrokkene in zijn woonland voor een bijzondere, niet op premie- of
bijdragebetaling berustende uitkering in aanmerking kan komen. In
gevallen waarin de werknemer woont in een lidstaat waarvan de wetgeving
niet voorziet in een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling
berustende uitkering ter verzekering van een bestaansminimum, kan
ondanks deze versoepelende maatregelen van compensatie geen sprake zijn.
Kent de wettelijke regeling van het woonland wel een bijzondere
uitkering ter verzekering van een bestaansminimum, die echter lager is
dan de Nederlandse, dan vindt slechts een beperkte compensatie plaats.
De omstandigheid dat iemand eventueel niet voldoet aan de voorwaarden
waarvan de staat van zijn nieuwe woonplaats de toekenning van een
bijzondere uitkering afhankelijk stelt, of dat hij daar een lagere
uitkering krijgt dan voorheen in een andere lidstaat, kan overigens de
regeling van artikel 10 bis van Verordening nr. 1408/71 niet ongeldig
maken (arrest Snares van 4 november 1997, nr. C-20/96, punt 44).
2.4 Overwegingen t.a.v. Verordening (EEG) 1612/68
Zoals gesteld is [appellant], anders dan Kersbergen-Lap en Dams-Schipper,
na zijn verhuizing naar België in Nederland in loondienst werkzaam
gebleven. Voor het geval de intrekking van de Wajong-uitkering in
overeenstemming is met verordening nr. 1408/71, rijst de vraag of de
intrekking van de Wajong-uitkering van [appellant] tevens in
overeenstemming is met artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 1612/68
(Verordening nr. 1612/68) dan wel artikel 39 EG. In dit kader overweegt
de Raad het volgende.
2.4.1 Personele werkingssfeer
Aangezien [appellant] de Nederlandse nationaliteit bezit, ziet de Raad
zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of een werknemer zich op
artikel 39 EG en op artikel 7 van Verordening nr. 1612/68 kan beroepen
tegenover de lidstaat waarvan hij onderdaan is, wanneer hij uitsluitend
in deze zelfde lidstaat heeft gewerkt, maar op het grondgebied van een
andere lidstaat woont. Naar het oordeel van de Raad wordt deze vraag
niet ondubbelzinnig beantwoord in de arresten Meints van 27 november 1997 (C-57/96,
Jur. 1997 p. I-6689), Commissie/Frankrijk van
24 september 1998 (C-35/97, Jur. 1998, p.I-5325) en Meeusen van 8 juni
1999 (C-337/97, Jur. 1999 p. I-3289). Uit deze arresten kan worden
afgeleid dat
artikel 7 van Verordening nr. 1612/68 van toepassing is op
grensarbeiders. Het betrof hier evenwel grensarbeiders die de
nationaliteit hadden van een andere lidstaat dan de lidstaat tegenover
welke zij een beroep wilden doen op Verordening nr. 1612/68.
Wel meent de Raad voor het antwoord op deze vraag een aanknopingspunt te
vinden in het arrest Terhoeve van 26 januari 1999, C 18/95, Jur 1999 p.
I-345. In dit arrest heeft het Hof voor recht verklaard dat een
werknemer zich op artikel 48 van het EEG-verdrag (thans: artikel 39 EG)
en op artikel 7 van Verordening nr. 1612/68 kan beroepen tegenover de
lidstaat waarvan hij onderdaan is, wanneer hij in een andere lidstaat
heeft gewoond en arbeid in loondienst heeft verricht. Het Hof overwoog
in de punten 26 en 27 van dit arrest dat volgens vaste rechtspraak de
verdragsbepalingen op het gebied van het vrije verkeer en de ter
uitvoering van deze bepalingen vastgestelde handelingen niet kunnen
worden toegepast op activiteiten die geen enkele aanknoping hebben met
een van de situaties die het gemeenschapsrecht op het oog heeft, en
waarvan alle elementen geheel in de interne sfeer van een enkele
lidstaat vallen. Iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt
van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een
beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat heeft uitgeoefend valt echter
onder de werkingssfeer van voormelde bepalingen, ongeacht zijn
woonplaats en zijn nationaliteit.
[appellant] is niet naar Nederland gekomen om er te gaan werken. Evenmin
heeft hij in een andere lidstaat gewerkt. Hij heeft er echter voor
gekozen na zijn verhuizing naar België in Nederland te blijven werken.
Naar het de Raad voorkomt wordt ook deze situatie bestreken door artikel
39, eerste lid, EG. Er is immers geen sprake van een activiteit die geen
enkel aanknopingspunt heeft met een van de situaties waarop het
gemeenschapsrecht het oog heeft. De Raad heeft daarbij met name het oog
op de in artikel 18 EG neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de
lidstaten te reizen en te verblijven. Volgens vaste jurisprudentie van
het Hof zou het in strijd zijn met het beginsel van het vrije verkeer
als een burger van de Unie in de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is,
minder gunstig zou kunnen worden behandeld dan indien hij geen gebruik
had gemaakt van de door het Verdrag verleende rechten inzake vrij
verkeer. De Raad verwijst in dit verband naar het arrest D’Hoop van 11
juli 2002, C-224/98, Jur. I-6191, het arrest Garcia Avello van 2 oktober
2003, C-148/02, Jur. I-11613 en het arrest Pusa van 29 april 2004,
C-224/02.
Uit geen van de genoemde arresten blijkt echter onomstotelijk dat een
persoon in de situatie van [appellant] een beroep kan doen op
Verordening nr. 1612/68. Om die reden dient aan het HvJEG de vraag te
worden voorgelegd of een werknemer zich op artikel 39 EG en op artikel 7
van Verordening nr. 1612/68 kan beroepen tegenover de lidstaat waarvan
hij onderdaan is, wanneer hij uitsluitend in deze zelfde lidstaat heeft
gewerkt, maar op het grondgebied van een andere lidstaat woont.
2.4.2 Materiële werkingssfeer
De Raad acht niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de Wajong-uitkering
een sociaal voordeel is als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van
Verordening nr. 1612/68. Volgens vaste jurisprudentie omvat dit begrip
immers alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een
arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden
toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van
werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn en waarvan
de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere Lid-Staten geschikt
lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.
2.4.3 Discriminatieverbod en verboden belemmeringen
Het in artikel 39 EG en in artikel 7 van Verordening nr. 1612/68
neergelegde beginsel van gelijke behandeling verbiedt niet alleen
openlijke discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle
verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere
onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Tenzij
zij objectief gerechtvaardigd is en evenredig aan het nagestreefde doel,
moet een bepaling van nationaal recht als indirect discriminerend worden
beschouwd, wanneer zij naar haar aard migrerende werknemers eerder kan
treffen dan nationale werknemers en derhalve meer in het bijzonder
migrerende werknemers dreigt te benadelen. Dit is het geval bij een
woonplaatsvereiste, waaraan door nationale werknemers gemakkelijker
wordt voldaan dan door migrerende werknemers (zie met name arrest van 23
mei 1996, zaak C-237/94, O'Flynn, Jurispr. 1996, blz. I-2671, r.o. 17).
In de eerste plaats rijst hier een vraag over de verhouding tussen
Verordening nr. 1612/68 en Verordening nr. 1408/71. Een dergelijke vraag
is ook aan het Hof voorgelegd in zaak C-286/03 (Silvia Hosse tegen het
Land Salzburg). De Raad sluit echter niet uit dat het Hof in die zaak
niet aan die vraag zal toekomen. Voorts acht de Raad in het kader van de
uitleg van Verordening nr. 1612/68 niet zonder belang dat de
Wajong-uitkering van [appellant] fungeert als aanvulling op c.q.
verzekering van diens feitelijke verdiencapaciteit, en daarmee in een
nauw verband staat met de door hem verrichte arbeid. De situatie van
[appellant] wijkt derhalve op een belangrijk punt af van de situatie van
Hosse. De Raad acht het daarom aangewezen, ook de volgende vragen aan
het Hof voor te leggen.
Artikel 42, tweede lid van Verordening nr. 1612/68 bepaalt dat
Verordening nr. 1612/68 geen afbreuk doet aan de overeenkomstig artikel
51 van het Verdrag (thans: 42 EG) vastgestelde bepalingen. Als
bijzondere regeling met betrekking tot de coördinatie van sociale
zekerheid heeft Verordening nr. 1408/71, waar het gaat om sociale
zekerheid, in beginsel voorrang boven Verordening nr. 1612/68. Blijkens
de jurisprudentie is het in bepaalde situaties echter mogelijk dat de
belanghebbende die zich niet met vrucht kan beroepen op Verordening nr.
1408/71 aanspraken kan ontlenen aan Verordening nr. 1612/68. Dit kan
zich met name voordoen als de belanghebbende niet uit eigen hoofde onder
de personele werkingssfeer van Verordening nr. 1408/71 valt, of als het
gaat om een prestatie die van de werkingssfeer van Verordening nr.
1408/71 is uitgesloten. De Raad verwijst in dit verband naar de arresten
Frascogna van 6 juni 1985, nr. 157/84, Jur. 1985, p. 1739, Meints,
bovengenoemd, en Commissie-Frankrijk, bovengenoemd.
In het onderhavige geval is van een dergelijke situatie geen sprake.
Verordening nr. 1408/71 is zonder twijfel op [appellant] van toepassing
en dat de Wajong-uitkering onder de materiële werkingssfeer van deze
verordening valt, staat buiten kijf. In zoverre lijkt hier sprake te
zijn van een situatie die uitputtend wordt geregeld door Verordening nr.
1408/71 en waarin Verordening nr. 1612/68 (of art. 39, eerste lid, EG)
geen aanvullende aanspraken kan genereren. Daar staat tegenover dat het
Hof in het arrest Meints, bovengenoemd, in zeer algemene zin voor recht
heeft verklaard dat een lidstaat de toekenning van een sociaal voordeel
in de zin van artikel 7, lid 2, van Verordening nr. 1612/68, niet
afhankelijk mag stellen van de voorwaarde dat de uitkeringsgerechtigde
op het grondgebied van die staat woont, tenzij de woonplaatseis
objectief gerechtvaardigd is. De vraag is dan of ten aanzien van iedere
bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie als
bedoeld in artikel 4, lid 2, bis van verordening nr. 1408/71 die is
opgenomen in Bijlage II bis bij deze verordening, per definitie moet
worden aangenomen dat een hierin vervatte woonplaatseis objectief
gerechtvaardigd is. Als dit niet het geval is rijst de vraag of in het
karakter van de Wajong zoals omschreven door de rechtbank Amsterdam een
toereikende rechtvaardiging kan worden gevonden om de woonplaatseis
tegen te werpen aan een persoon als [appellant], die een volledige
dienstbetrekking in Nederland vervult en ter zake daarvan uitsluitend
aan de Nederlandse wetgeving is onderworpen.
Voor het geval een persoon in de situatie van [appellant] zich niet kan
beroepen op artikel 39 EG en artikel 7, lid 2 van Verordening nr.
1612/68, moet deze laatste vraag tevens worden gesteld met het oog op de
artikelen 12 en 18 EG.
Op grond van het vorenstaande beslist de Raad de navolgende vragen aan
het Hof van Justitie voor te leggen.
3. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
- verzoekt het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen bij wijze van
prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 EG antwoord te geven
op de volgende vragen:
1. Dient een uitkering op grond van de Wajong, die wordt vermeld in
bijlage II bis bij Verordening nr. 1408/71 te worden aangemerkt als een
bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie als
bedoeld in artikel 4, lid 2 bis, van Verordening nr. 1408/71, zodat op
personen zoals appellant in het hoofdgeding uitsluitend de bij artikel
10 bis van Verordening nr. 1408/71 ingevoerde coördinatieregeling moet
worden toegepast? Maakt het voor de beantwoording van deze vraag
verschil of de betrokkene oorspronkelijk een (uit premies gefinancierde)
AAW-uitkering voor jeugdgehandicapten ontving, welke per 1 januari 1998
van rechtswege is omgezet in een uitkering krachtens de Wajong?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: kan een
werknemer zich op artikel 39 EG, zoals uitgewerkt in artikel 7 van
Verordening nr. 1612/68 beroepen tegenover de lidstaat waarvan hij
onderdaan is, wanneer hij uitsluitend in deze zelfde lidstaat heeft
gewerkt, maar op het grondgebied van een andere lidstaat woont?
3. Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord:
moet artikel 39 EG, zoals uitgewerkt in artikel 7, tweede lid, van
Verordening nr. 1612/68, aldus worden begrepen, dat hiermee steeds
verenigbaar is een bepaling van een wettelijke regeling die de
toekenning of voortzetting van een prestatie afhankelijk stelt van de
woonplaats van de betrokkene op het grondgebied van de lidstaat wiens
wettelijke regeling aan de orde is, wanneer deze wettelijke regeling
voorziet in een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling
berustende prestatie als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis van Verordening
nr. 1408/71 en is vermeld op bijlage II bis bij deze verordening?
4. Indien de eerste en de tweede vraag bevestigend worden beantwoord en
de derde vraag ontkennend: moet het gemeenschapsrecht (waaronder met
name de artikelen 7, tweede lid, van Verordening nr. 1612/68 en 39 EG,
dan wel de artikelen 12 en 18 EG) aldus worden begrepen dat in het
karakter van de Wajong een toereikende rechtvaardiging kan worden
gevonden om de woonplaatseis tegen te werpen aan een burger van de Unie
die een volledige dienstbetrekking in Nederland vervult en ter zake
daarvan uitsluitend aan de Nederlandse wetgeving is onderworpen?
- houdt in verband met de toepassing van artikel 234 EG de verdere
behandeling van het geding aan totdat het Hof van Justitie arrest zal
hebben gewezen.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|