|
Uitspraak
04/2197 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko, appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft [naam gemachtigde], vader en gemachtigde van
appellant, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 maart
2004, nummer AWB 03/1647 WAJONG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken aan de Raad doen toekomen.
Namens appellant zijn nog nadere stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 26 november
2004, waar voor appellant is verschenen zijn gemachtigde [naam
gemachtigde] en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. M. Scholten, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
In het verhandelde ter zitting heeft de Raad aanleiding gezien het
onderzoek te heropenen ten einde een nader onderzoek in te stellen bij
gedaagde.
Gedaagde heeft op 26 januari 2005 op een door de Raad gestelde vraag
gereageerd. Hierop is op 7 februari 2005 een reactie van de gemachtigde
van appellant bij de Raad binnengekomen. Voorts is namens appellant op
18 mei 2005 nog een nader stuk in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 juni 2005 waar
namens appellant is verschenen [naam gemachtigde], voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij brief van 10 januari 2003 heeft de toenmalige gemachtigde van
appellant bezwaar gemaakt tegen gedaagdes besluit van 18 november 2002,
waarin aan appellant is medegedeeld dat zijn Wajong-uitkering met ingang
van 15 mei 2003 wordt beëindigd omdat de mate van zijn
arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 25%.
Gevraagd naar de reden van de overschrijding van de bezwaartermijn is
namens appellant aangegeven dat appellant in Marokko woont waar de post
met vertraging wordt ontvangen, dat hij verslaafd is aan drugs en een
psychische ziekte heeft waardoor hij niet in staat is adequaat op
brieven en verplichtingen te reageren. Ter onderbouwing van dit
standpunt heeft de gemachtigde nog enkele medische stukken ingediend. De
vader van appellant, die in Nederland woont en zijn belangen behartigt,
heeft hierdoor het besluit te laat ontvangen om nog tijdig bezwaar in te
kunnen dienen.
Bij beslissing op bezwaar van 3 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat het bezwaarschrift
te laat is ingediend en niet gebleken is dat appellant redelijkerwijs
niet in verzuim is geweest.
In reactie op het namens appellant ingediende beroepschrift heeft
gedaagde een brief van een bezwaarverzekeringsarts aan de rechtbank
toegezonden waarin deze heeft aangegeven dat de overgelegde medische
informatie slechts een bevestiging geeft van het gebruik van medicijnen.
Dankzij deze medicijnen is appellant in staat om alleen te wonen, voor
zichzelf te zorgen en een school te volgen. Er zijn geen aanwijzingen
dat er sprake is van een zeer ernstig psychiatrisch ziektebeeld op grond
waarvan appellant niet in staat zou zijn een brief op tijd terug te
sturen.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen,
waarbij voor eiser appellant dient te worden gelezen.
“De rechtbank ziet geen aanleiding de termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten. Eiser had een persoon in Marokko kunnen
machtigen om zijn belangen te behartigen en zijn correspondentie met
instanties in Nederland te verzorgen. Door eiser is ter zitting
aangevoerd dat een afspraak was gemaakt met de postbode in Marokko, die
er op neer kwam dat eisers post niet werd bezorgd bij hem zelf, maar bij
familie. Een en ander is misgelopen omdat er een nieuwe postbode is
gekomen die niet van de afspraak op de hoogte was. Wat hier ook van zij,
de rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten. Dat een en ander bij de afspraken omtrent de
postbezorging is misgelopen, is een omstandigheid die voor rekening en
risico van eiser komt.”
In hoger beroep is namens appellant herhaald dat ten onrechte de
Wajong-uitkering is beëindigd omdat appellant niet meer ziek zou zijn.
Appellant is echter psychisch ziek en kan niet voor zichzelf zorgen. Hij
kan niet adequaat op de post reageren. Hij opent zijn post niet eens.
Door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren is appellant ernstig in
zijn belangen geschaad omdat hij geen inhoudelijk oordeel kan vragen
over zijn zaak aan de rechter.
Voorts zijn nog medische verklaringen van appellants psychiater
overgelegd alsmede een verklaring van appellants belangenbehartiger in
Marokko.
Ter zitting van de Raad van 26 november 2004 is door de vader van
appellant gesteld dat hij in december 2002 hoorde van het besluit van 18
november 2002 en toen gelijk telefonisch contact heeft opgenomen met de
heer Aznar van het Uwv en heeft gezegd dat hij het niet eens was met de
beslissing. Vervolgens zou hij hebben medegedeeld dat hij naar een
bureau voor rechtshulp zou gaan en schriftelijk bezwaar zou maken.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het
onderzoek heropend en aan gedaagde de vraag voorgelegd of de heer Aznar
zich het gesprek, alsmede de inhoud daarvan van eind december 2002 met
de vader van appellant kan herinneren.
In reactie hierop heeft gedaagde bericht dat de heer Aznar zich het
telefoongesprek met de vader van appellant niet kan herinneren, maar dat
hij hem waarschijnlijk heeft gezegd toch in bezwaar te gaan, hoewel het
wat laat was en dat over de termijn de afdeling bezwaar en beroep een
oordeel zou geven.
Van dergelijke telefoongesprekken wordt geen dossierrapport opgemaakt.
De Raad overweegt als volgt.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Nu namens
appellant eerst bij schrijven van 10 januari 2003 bezwaar is aangetekend
tegen het besluit van 18 november 2002, moet worden geoordeeld dat het bezwaar niet tijdig is
ingesteld. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er
omstandigheden zijn die meebrengen dat redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat appellant ter zake van de niet-tijdige indiening van het
bezwaarschrift in verzuim is geweest. In hetgeen namens appellant is
aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om in het onderhavige geval de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De Raad heeft hierbij in
aanmerking genomen dat uit de stukken naar voren is gekomen dat de
familie van appellant in verband met appellants psychische gesteldheid
maatregelen heeft getroffen ter behartiging van zijn belangen door het
inschakelen van een vriend van de familie in Marokko. Deze vriend heeft
in de hoedanigheid van zaakwaarnemer ook een voorziening getroffen met
betrekking tot de bezorging bij hem thuis van appellants post. Deze post
werd dan direct doorgezonden naar de ouders van appellant in Nederland.
Door de komst van een nieuwe postbode die van de afspraak niet op de
hoogte was, is blijkbaar het besluit van 18 november 2002 bezorgd op het
adres van appellant. De Raad is, met gedaagde en de rechtbank van
oordeel dat, in die omstandigheden, het niet (tijdig) instellen van
bezwaar voor risico van appellant dient te komen. De Raad voegt daaraan
toe dat op grond van de tot de gedingstukken behorende medische
gegevens, waarbij de Raad met name doelt op het ten behoeve van de
vijfdejaars herbeoordeling in het kader van de Wajong uitgebrachte
rapport van het CNSS van 29 januari 2002, de Raad tot het oordeel is
gekomen dat ten tijde in geding onvoldoende is kunnen blijken dat
appellant in het geheel buiten staat was zelf bezwaar in te dienen dan
wel de medewerking van derden in te roepen. Hetgeen namens appellant is
aangevoerd kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat de
termijnoverschrijding hem niet kan worden tegengeworpen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet
kan slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.E. Meijer.
|
|