|
Uitspraak
03/1545 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 31 oktober 2000 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld
van het besluit de aan haar verleende uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong),
laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%, met ingang van 31 december 2000 in te trekken, op de grond dat de
mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 25%
bedroeg.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 20
september 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 februari 2003 (reg.nr. WAJONG 01/1906), onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte
beroep, laatstgenoemd besluit (het bestreden besluit) vernietigd en
bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van
hetgeen in die uitspraak is overwogen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde
gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen met het verzoek de
aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog
ongegrond te verklaren.
Namens gedaagde heeft mr. D.S. de Ploeg, advocaat te Amsterdam, bij
brief van 19 mei 2003 van verweer gediend, waarop appellant bij brief
van 27 mei 2003 een reactie van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek
heeft ingezonden.
Bij brief van 23 april 2004 heeft gedaagde hierop gereageerd onder
toezending van een verklaring van 18 maart 2004 van de psycholoog E.C.G.J.
Julien en een verklaring van 23 maart 2004 van de psychiater J.V.M.
Marhold.
Hierop heeft appellant bij brief van 17 mei 2004 een commentaar van de
bezwaarverzekeringsarts Koek ingezonden.
Bij brief van 23 november 2004 heeft gedaagde de Raad een haar
gezondheidstoestand betreffend rapport van 25 oktober 2004 van de
psychiater H. de Jong, psychiater/psychoanalyticus te Amsterdam, doen
toekomen.
Appellant heeft een commentaar van 9 december 2004 van de
bezwaarverzekeringsarts Koek op dit rapport ingezonden, waarop gedaagde
bij brief van 21 januari 2005 een reactie van psychiater De Jong heeft
overgelegd, hetgeen voor de bezwaarverzekeringsarts Koek aanleiding was
bij rapport van 7 februari 2005 nogmaals te reageren.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 april
2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde is verschenen bij
haar gemachtigde mr. De Ploeg, voornoemd, en haar partner [naam
partner].
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren [in] 1967 in Japan, heeft appellant op 28 augustus
1998 verzocht haar vanwege psychische klachten een
arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. De verzekeringsarts M.R.M.
Enneking heeft daarop onderzoek gedaan en is na ontvangst van
inlichtingen van de behandelend psychiater J.J.S. Kooy te Delft, bij
rapport van 11 december 1998 tot de conclusie gekomen dat gedaagde
gezien haar gezondheidstoestand, ten tijde van zijn onderzoek en over
langere tijd gezien, slechts zeer beperkt kan functioneren, omdat bij
haar sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld met als gevolg
een langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren en een
evident onvermogen tot het verrichten van arbeid. Daarop is aan gedaagde
een uitkering ingevolge de Wajong toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vervolgens heeft in het kader van
de zogeheten eerstejaars herbeoordeling de verzekeringsarts J.D. van de
Nieuwegiessen onderzoek gedaan. Deze is bij rapport van 6 september 2000
tot de conclusie gekomen dat gedaagde lijdende was aan een
persoonlijkheidsstoornis en aan ADHD, dat daaruit beperkingen
voortvloeien voor het verrichten van arbeid, maar dat haar
gezondheidssituatie toch niet zodanig was dat zij geen benutbare
mogelijkheden had. Na overleg met de verzekeringsarts Enneking over de
vraag of een (psychiatrische) expertise meer duidelijkheid zou kunnen
geven is daarvan afgezien om reden dat daarvan niet te verwachten was
dat daarna andere beperkingen zouden moeten worden gesteld. Bij rapport
van 30 oktober 2000 is de arbeidsdeskundige L.P. Boers tot de conclusie
gekomen dat gedaagde met inachtneming van haar beperkingen in staat is
de werkzaamheden te verrichten van een aantal ook overigens voor haar
geschikt te achten functies, waarmee een zodanig inkomen kan worden
verworven dat geen verlies aan verdiencapaciteit bestaat.
In de bezwaarfase van de besluitvorming heeft de bezwaarverzekeringsarts
Koek, blijkens haar rapport van 2 juli 2001, de dossiergegevens
bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en bij brief van 19 juni 2001
inlichtingen ontvangen van de behandelend psychiater (in opleiding) J.
Wesselius. Aan het verslag van oriλnterend psychiatrisch onderzoek in
het rapport van 2 juli 2001 ontleent de Raad dat gedaagde tijdens de
hoorzitting nauwelijks in staat was om te praten, dat sprake was van
heftige emotie zich uitend in klappertanden en hevig trillen, dat zij
met moeite haar aandacht erbij kon houden, moeite had met de chronologie
van gebeurtenissen en dat de stemming van gedaagde angstig was en het
affect voornamelijk angstig. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen
dat het gedrag van gedaagde op de hoorzitting tijdelijk dan wel
situatief van aard was daar dit gedrag niet werd vertoond bij de primair
beoordelend verzekeringsarts, noch vertoond werd bij de behandelaar.
Daarop is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er
geen aanleiding was de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen
te wijzigen en is het bestreden besluit genomen.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd op grond van het
oordeel dat dit rust op een onvolledige en onzorgvuldige medische
beoordeling, omdat in een situatie als deze appellant zich ter zake had
dienen te laten voorlichten door een onafhankelijke deskundige op
psychiatrisch gebied.
In hoger beroep heeft appellant dit oordeel bestreden door erop te
wijzen dat de informatie van de behandelend psychiater overeenkwam met
de bevindingen uit onderzoek door de verzekeringsarts Van de
Nieuwegiessen en dat van een eenmalig onderzoek door een
niet-behandelend psychiater geen andere diagnose noch andere beperkingen
werden verwacht.
Gedaagde heeft zich in hoger beroep geschaard achter het oordeel van de
rechtbank, heeft gesteld ook bereid te zijn een onderzoek door een
deskundige vanwege de Raad te ondergaan en heeft nadien het initiatief
genomen zich te laten onderzoeken door de psychiater De Jong. Bij
rapport van 25 oktober 2004 is deze tot de conclusie gekomen dat het
onwaarschijnlijk lijkt dat gedaagde ten tijde hier in geding zonder
adequate behandeling in staat zou zijn geweest loonvormende arbeid te
verrichten. Wellicht zou gedaagde, mits goed medicamenteus ingesteld, om
te beginnen gedeeltelijk geschikt zijn voor enkele uren per dag.
De bezwaarverzekeringsarts Koek heeft bij rapport van 9 december 2004
haar standpunt gehandhaafd en gesteld dat het haar niet bekend was dat
het hebben van ADHD zonder gebruik van medicatie moet leiden tot het
aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid en heeft gewezen op de
gegevens en bevindingen van de behandelend psychiater die overeenstemmen
met de bevindingen van de verzekeringsarts Van de Nieuwegiessen en met
die van de psychiater De Jong. Laatstgenoemde heeft bij brief van 15
januari 2005 hierop gereageerd door te stellen dat ADHD zonder
medicamenteuze behandeling kan leiden tot arbeidsongeschiktheid en dat
dit bij gedaagde het geval was, omdat zij klinisch met medicatie veel
beter was, en vanwege de aard van haar klachten en de wijze waarop zij
deze naar voren heeft gebracht. De bezwaarverzekeringsarts Koek heeft
daarop gerepliceerd dat er overeenstemming bestaat over de aard van de
aandoening en de beperkingen en dat de vraag of gedaagde
arbeidsongeschikt is moet worden beantwoord aan de hand van een
loonkundige berekening.
De Raad overweegt als volgt.
Centraal in dit geding staat de vraag of de medische beperkingen van
gedaagde ten tijde hier in geding door de betrokken
(bezwaar)verzekeringsartsen juist zijn ingeschat. Die vraag beantwoordt
de Raad gelet op de thans in ruime mate voorhanden zijnde medische
gegevens ontkennend.
Aan de brief van 27 november 1998 van de destijds behandelend psychiater
Kooy ontleent de Raad dat hij aan gedaagde met zeer gunstig effect
Prozac had voorgeschreven en Ritalin, dat gedaagde het gebruik van
Prozac tegen zijn advies had gestaakt en dat gedaagde gestopt was met
Ritalin in verband met veel bijwerkingen. Naar de opvatting van deze
psychiater was de prognose afhankelijk van de medicatietrouw van
gedaagde en ook van de vraag of zij op een ander medicament wel gunstig
zou reageren zonder al te veel bijwerkingen. Mede op basis van deze
inlichtingen heeft de verzekeringsarts Enneking de situatie zodanig
ernstig ingeschat dat hij van oordeel was dat gedaagde geen benutbare
mogelijkheden had. De verzekeringsarts Van de Nieuwegiessen maakt in
zijn rapport er melding van dat gedaagde geen Ritalin meer gebruikte en
alleen en zo nodig en kennelijk in een lage frequentie Oxazepam. Bij
brief van 19 juni 2001 bericht psychiater in opleiding Wesselius dat
gedaagde sedert 5 februari 2001 bij haar in behandeling is en dat het
instellen op medicatie in verband met bijwerkingen in het verleden niet
is gelukt. De opvolgend psychiater D.J.F. van Schaik heeft bij brief van
30 december 2002 bericht dat zij gedaagde vanaf januari 2002 behandelde
met een antidepressivum waarvan bekend was dat dit ook effect heeft op
ADHD-klachten. Na geleidelijke opbouw van de medicatie zijn vanaf mei
2002 haar klachten verbeterd, aldus deze psychiater.
Gelet op bovenstaande gegevens gaat de Raad ervan uit dat ten tijde hier
in geding (31 december 2000) gedaagde geen (adequate) medicatie had voor
de door haar ondervonden psychische klachten. Voorts stelt de Raad vast
dat de psychiaters Kooy en De Jong ieder voor zich na onderzoek van
gedaagde het gebruik van adequate medicatie door gedaagde kennelijk van
doorslaggevend belang hebben geacht voor de vraag of gedaagde in staat
was arbeid te verrichten. Een en ander in onderlinge samenhang beschouwd
leidt dit de Raad tot de conclusie dat gedaagde op 31 december 2000
zodanig medisch beperkt was dat zij niet in staat was werkzaamheden,
waaronder begrepen de door de arbeidsdeskundige Boers voor gedaagde
geschikt bevonden werkzaamheden, te verrichten.
De bezwaarverzekeringsarts Koek heeft bij herhaling gewezen op de brief
van psychiater in opleiding Wesselius van 19 juni 2001, waarmee zij bij
de beoordeling van de beperkingen van gedaagde rekening heeft gehouden.
In deze brief wordt er melding van gemaakt dat gedaagde momenteel
(derhalve ten tijde van het schrijven van die brief) redelijk stabiel
was en een redelijk evenwicht leek te hebben gevonden tussen wat ze wel
en niet kon. Aan die (voorzichtig gestelde) mededeling kan de Raad geen
conclusies verbinden voor de datum hier in geding, althans niet in die
zin dat het hiervoor gegeven oordeel daarvoor zou moeten wijken. Daarbij
wijst de Raad erop dat de behandelend psychiater Van Schaik in januari
2002 de situatie kennelijk nog steeds van dien aard achtte dat medicatie
noodzakelijk was en dat uiteindelijk eerst het gebruik daarvan tot
verbetering heeft geleid.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, zij het
op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep alsmede
700,- voor de kosten van de partijdeskundige psychiater H. de Jong, in
totaal derhalve 1344,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot 1344,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|