|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/5149 WAJONG
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Maastricht op 27 juli 2004 (reg.nr. AWB 03/1137 WAJONG) tussen partijen
gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 14 december 2004 heeft de Raad het hoger beroep
niet-ontvankelijk verklaard, omdat het hoger beroep niet tijdig bij de
Raad is ingediend en niet is gebleken van redenen op grond waarvan
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is
geweest.
Opposante is van die uitspraak in verzet gekomen.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 juli
2005, waar namens geopposeerde is verschenen mr. P.H.H.J. Krijnen, terwijl opposante
- zoals tevoren is bericht - niet
is verschenen.
II. MOTIVERING
Volgens artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8,
6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.
Deze termijn gaat voor wat betreft het hoger beroep in op de dag na die
waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een
afschrift aan partijen bekend is gemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de
termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift
tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is
bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is
ontvangen.
De aangevallen uitspraak is op 27 juli 2004 in afschrift aan partijen
verzonden. Het beroepschrift is op 21 september 2004 ter griffie
ontvangen.
Op grond van bovenvermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het
beroepschrift niet tijdig is ingediend.
In het verzetschrift heeft opposante wederom aangevoerd dat zij de
aangevallen uitspraak te laat heeft ontvangen, omdat haar post verkeerd
bezorgd was en dat dit had kunnen gebeuren omdat haar advocaat het
poststuk niet aangetekend had verzonden.
Hetgeen opposante in verzet heeft aangevoerd vormt naar het oordeel van
de Raad onvoldoende grond om het verzuim van opposante te
verontschuldigen en de Raad tot een ander oordeel te leiden dan hetwelk
is neergelegd in zijn uitspraak van 14 december 2004.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21
van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Awb ongegrond te
worden verklaard. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de
uitspraak van de Raad van 14 december 2004 derhalve in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P.
van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24
augustus 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.
|
|