|
Uitspraak
03/5491 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 30 september 2003, nummer 03/228 Wajong,
hierna: de aangevallen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 juli 2005, waar
voor appellant is verschenen mr. E.J.S. van Daatselaar en waar namens
gedaagde is verschenen mr. R.G. Riemersma, werkzaam bij Rechtshulp Noord, Bureau Friesland te
Leeuwarden.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 9 juli 2002 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, onder overweging dat hij op 21
september 2002, de dag dat hij de 18-jarige leeftijd bereikte, minder
dan 25% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 22 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft
appellant het namens gedaagde gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellant bij brief van 21 mei 2003, met als bijlage een
rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot van 15 mei 2003,
geantwoord op vragen van de rechtbank met betrekking tot de
arbeidskundige vertaling van de aangenomen beperkingen zoals neergelegd
op de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) naar de door voornoemde
bezwaararbeidsdeskundige in de bezwaarfase geselecteerde functies.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit
vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de aangevallen uitspraak heeft
zij onder meer overwogen:
"ondanks de nadere uitleg die op verzoek van de
rechtbank is gegeven tijdens het verloop van deze procedure door zowel
de bezwaarverzekeringsarts als de bezwaararbeidsdeskundige, is de
rechtbank van mening dat deze toelichting en motivering onvoldoende is
om te kunnen beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt
stelt dat de geselecteerde functies voor eiser geschikt zijn."
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het in de
aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over het
bestreden besluit in rechte stand kan houden.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de aangevallen uitspraak
voor onjuist moet worden gehouden, omdat het bestreden besluit wel
voldoende is gemotiveerd. Appellants gemachtigde heeft daartoe
puntsgewijs de in eerdere instanties gegeven nadere onderbouwing op een
aantal door de rechtbank genoemde aspecten toegelicht.
Bij verweerschrift van 3 februari 2004 heeft mr. Riemersma, onder
verwijzing naar de eerder ingediende bezwaar- en beroepschriften met
bijlagen, aangegeven dat er volstrekt onvoldoende rekening is gehouden
met gedaagdes beperkingen als gevolg van zijn medische toestand en heeft
hij hetgeen in het beroepschrift betreffende de passendheid van de
functies is gesteld weersproken.
De Raad oordeelt als volgt.
Voor wat betreft de medische kant van de schatting, die op zichzelf bij
de rechtbank geen bezwaren ontmoette, is de belastbaarheid van gedaagde
zoals vastgesteld door de verzekeringsarts F. Lutterop en in de
bezwaarfase nog nader aangescherpt door de bezwaarverzekeringsarts P.H.
Storms niet overschat. De Raad is van oordeel dat de FML een adequaat
beeld geeft van de mogelijkheden en beperkingen van gedaagde en dat
daarin ook wordt tegemoetgekomen aan de in hoger beroep nog overgelegde
conclusies in de rapportage van de Indicatiecommissie Sociale
Werkvoorziening van 17 december 2004, dat gedaagde gelet op de ernst en omvang van de bij
hem vastgestelde stoornissen en de daaruit voortvloeiende beperkingen
ten aanzien van het verrichten van arbeid niet in staat is passende
arbeid onder normale omstandigheden te verrichten zonder speciale
voorzieningen en/of maatregelen.
Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting en de toepassing van
de gewijzigde schattingsmethodiek, met behulp van het zogenaamde claim
beoordelings- en borgingssysteem (CBBS), verwijst de Raad in de eerste
plaats naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722.
In bovenvermelde uitspraken heeft de Raad als één van de
onvolkomenheden van het CBBS aangegeven dat het systeem, anders dan het
geval was bij het FIS, er niet meer in voorziet dat zogeheten
markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking
tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan
zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken
verzekerde op dat punt of op die punten, in het dossier terechtkomen.
Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem
nog wel op het scherm gepresenteerd, maar ze komen vervolgens niet terug
in de geprinte versies van de CBBS-formulieren. Ook als gevolg hiervan
laat het zich door anderen dan functionarissen van het Uwv niet op
relatief eenvoudige wijze controleren of terecht het standpunt is
ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische
mogelijkheden van een betrokkene blijft.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - bij wijze van
voorbeelden - een aantal aspecten besproken waar door de
(bezwaar)verzekeringsarts op de FML beperkingen zijn aangegeven, terwijl
er, voor zover uit de formulieren ‘Resultaat Eindselectie’ blijkt,
in de functies sprake is van een bijzondere belasting op één of meer
punten, waarvoor in de FML geen corresponderend belastingpunt aan de
zijde van de functieanalyse bestaat, in het CBBS aangeduid als zogeheten
niet-matchende beoordelingspunten.
In een dergelijke situatie zal de arbeidsdeskundige steeds kenbaar, zo
nodig in overleg met de verzekeringsarts, ‘handmatig’ dienen te
beoordelen of zulks in de weg staat aan het verrichten van de
werkzaamheden die zijn verbonden aan de geselecteerde functies.
De Raad heeft vastgesteld dat appellant tot in de beroepsfase heeft
nagelaten om - al dan niet in een afzonderlijke rapportage - aan te
geven op welke aspecten, in relatie tot de voorgehouden functies,
eventuele overschrijdingen in de belastbaarheid zich voordoen en waarom
hij van oordeel is dat gedaagde met zijn beperkingen toch in staat moet
worden geacht deze functies te vervullen. Uit de uiteindelijk gegeven
nadere toelichting, met name op de aspecten I.9.3 (rechtstreeks toezicht
en/of intensieve begeleiding) en I.9.4 (niet worden afgeleid door
activiteiten van anderen), is naar het oordeel van de Raad onvoldoende
duidelijk geworden dat de voorgehouden functies aan de - door appellants
eigen verzekeringsarts gestelde - strenge voorwaarden op deze punten
voldoen.
Op grond van het vorenstaande, bezien in het licht van de in
meergenoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 neergelegde
hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en
motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, is de Raad
van oordeel dat de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te
merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid nog
immer ontbeert.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van
Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|