|
Uitspraak
03/5161 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 17 september 2001 heeft gedaagde aan appellant
meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), welke is
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, onder
toepassing van artikel 50, eerste lid, onder b, van de Wajong, met
ingang van 1 januari 2000 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 65 tot 80%.
Bij besluit van 5 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld
dat de gedeeltelijk onverschuldigd betaalde uitkering over de periode
van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2001 wordt teruggevorderd.
Het tegen deze besluiten door appellant gemaakte bezwaar heeft gedaagde
ongegrond verklaard bij zijn besluit op bezwaar van 4 juni 2002, hierna:
het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
voor zover het is gericht tegen het in het bestreden besluit vervatte -
zo leest de Raad de uitspraak van de rechtbank - kortingsbesluit
niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard bij
haar uitspraak van 5 september 2003, reg.nr: 02/1416 WAJONG.
Op de in het beroepschrift vermelde gronden is mr. J.A. van Ham,
advocaat te Veenendaal, namens appellant in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 24 juni 2005 een aantal nadere stukken
overgelegd.
Het geding is behandeld op de zitting van 5 juli 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham voornoemd. Gedaagde
heeft zich zoals aangekondigd niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft sedert 17 september 1983 een uitkering ingevolge de
Algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering (AAW) ontvangen, berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze wet is met
ingang van 1 januari 1998 vervallen. Sedert die datum ontvangt appellant
een volledige uitkering ingevolge de Wajong. Appellant heeft daarnaast
werkzaamheden verricht in loondienst en later als zelfstandige. Zo is
hij werkzaam geweest als zelfstandig kermisexploitant en laatstelijk
sedert 1999 als zelfstandig bewaker. Naar aanleiding van de jaarcijfers
over het jaar 2000 heeft de arbeidsdeskundige C. Bos blijkens het
rapport van 12 september 2001 geadviseerd tot korting van de uitkering
van appellant. Vervolgens heeft gedaagde de besluiten als genoemd in
rubriek I van deze uitspraak genomen. Naar aanleiding van de bezwaren
van appellant heeft bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga blijkens
het rapport van 29 mei 2002 een herberekening gemaakt van de korting
door de netto winst over het jaar 2000 te corrigeren met een zogenaamde
scholingsaftrek en een aftrek voor de zogeheten AA-premies. De
herberekening heeft echter eveneens tot de conclusie geleid dat de
Wajong-uitkering van appellant dient te worden uitbetaald naar de klasse
van 65 tot 80%, waarna het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond
is verklaard.
De rechtbank heeft appellant niet-ontvankelijk verklaard voor zover het
beroep is gericht tegen het in het bestreden besluit vervatte - zo leest
de Raad de uitspraak van de rechtbank waarin ten onrechte wordt
gesproken van het herzieningsbesluit - kortingsbesluit. Daartoe heeft de
rechtbank overwogen dat het (aanvullend) beroepschrift uitsluitend is
gericht tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op
de terugvordering. De ter zitting aangevoerde grieven tegen de
ongegrondverklaring van zijn bezwaren tegen het kortingsbesluit zijn
naar het oordeel van de rechtbank tardief.
De rechtbank heeft voorts het volgende overwogen: Waar het in casu
gaat om een bestreden besluit dat expliciet twee te onderscheiden
deelbesluiten bevat, waarvan binnen de beroepstermijn er slechts ιιn
is aangevochten, dient het eerst ter zitting ingestelde beroep tegen het
aanvankelijk niet bestreden en in inmiddels in rechte onaantastbaar
geworden deelbesluit, dat betrekking heeft op de herziening van de
uitkering, wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding
niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er een plicht is voor gedaagde
om tot terugvordering over te gaan en dat er geen dringende redenen zijn
geweest voor gedaagde om van terugvordering af te zien. De rechtbank
heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Appellant
is van mening dat het beroep ten onrechte (deels) niet-ontvankelijk is
verklaard. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit
voor zover het betreft de periode vanaf 1 januari 2001 niet op de feiten is gebaseerd. Tot slot is appellant van
mening dat gedaagde wegens dringende redenen geheel of gedeeltelijk van
de terugvordering had behoren af te zien.
De Raad zal eerst ingaan op de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring
van appellant in zijn beroep door de rechtbank.
De hierboven weergegeven zienswijze van de rechtbank onderschrijft de
Raad reeds daarom niet nu uit het beroepschrift in eerste aanleg
duidelijk blijkt dat appellant tijdig beroep heeft ingesteld tegen het
bestreden besluit waarbij gedaagde zowel heeft beslist op het bezwaar
tegen de korting als op het bezwaar tegen de terugvordering. Dat er nog
geen gronden tegen de korting van de uitkering van appellant waren
aangevoerd doet niets af aan de tijdigheid van het beroep van appellant.
De uitspraak van de rechtbank komt om deze reden voor vernietiging in
aanmerking.
De Raad zal de zaak op grond van artikel 26, eerste lid, onder a, van de
Beroepswet in samenhang met artikel 27 van de Beroepswet, zonder
terugverwijzing afdoen nu deze zaak naar het oordeel van de Raad geen
nadere behandeling van de rechtbank behoeft.
Over de korting overweegt de Raad het volgende.
De grief van appellant met betrekking tot de vaststelling van inkomsten
uit arbeid betreffende het jaar 2000, welke ziet op een factuur van de
accountant, heeft appellant ter zitting niet langer gehandhaafd omdat de
belastingdienst niet tot herziening van de netto winst is overgegaan,
zodat deze grief geen bespreking behoeft.
Over de grief van appellant dat de korting over het jaar 2001 niet op de
feiten berust overweegt de Raad dat gedaagde in dit geval bij het
primaire besluit van 17 september 2001, welk besluit bij het bestreden besluit is
gehandhaafd, aan appellant heeft meegedeeld dat zijn uitkering met
ingang van 1 januari 2000 wordt uitbetaald naar de
arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%, zonder een einddatum te noemen.
Uit de aan dit besluit ten grondslag liggende berekening blijkt dat
alleen het jaar 2000 in aanmerking is genomen. Zoals de Raad eerder
heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 juli 1996, RSV 1997/17, kan bij
besluiten tot korting van de uitkering wegens inkomsten uit arbeid niet
worden volstaan met het ιιnmalig uitreiken van een beslissing, die dan
- zij het met wijziging van bedragen - geacht moet worden zijn gelding
te behouden voor volgende jaren. Per jaar is een nieuw kortingsbesluit
nodig. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in
aanmerking voor zover het ziet op de korting van de Wajong-uitkering
over het jaar 2001. De Raad zal gedaagde opdracht geven in zoverre
opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
Over de terugvordering overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad kan terugvordering van
hetgeen onverschuldigd is betaald eerst aan de orde komen indien is
komen vast te staan dat degene van wie wordt teruggevorderd geen
aanspraak (meer) heeft op de uitbetaling van de uitkering. Bij gebreke
van een kortingsbesluit over het jaar 2001 is niet formeel komen vast te
staan dat onverschuldigd is betaald over de periode van 1 januari 2001
tot en met 30 september 2001. Gedaagde was dan ook niet bevoegd tot
terugvordering van de uitkering over deze periode. Om deze reden komt
het bestreden besluit voor zover dat ziet op de terugvordering eveneens
voor vernietiging in aanmerking. Daarbij zal de Raad geen onderscheid
maken tussen het jaar 2000 en 2001 omdat in het bestreden besluit noch
in het besluit van 5 oktober 2001 een onderscheid naar de afzonderlijke
jaren is gemaakt.
Gelet hierop komt de Raad niet toe aan de vraag of sprake is van
dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad voegt
hieraan ten overvloede toe dat het gedaagde, nadat hij alsnog op de
wettelijk voorgeschreven wijze heeft beslist over een korting van de
uitkering over het jaar 2001, zonodig wederom tot terugvordering dient
over te gaan. Alsdan zal gedaagde ook dienen te beslissen over de vraag
of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.
Al het voorgaande betekent dat de uitspraak van de rechtbank voor
vernietiging in aanmerking komt. Het inleidend beroep zal gegrond worden
verklaard. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking
voor zover het ziet op de korting van de Wajong-uitkering over het jaar
2001 en voor zover het ziet op de terugvordering.
De Raad zal gedaagde opdracht geven in zoverre opnieuw op het bezwaar te
beslissen.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in
totaal 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit voor zover het ziet op de korting van de Wajong-uitkering
over het jaar 2001 en voor zover het ziet op de terugvordering;
Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op het bezwaar neemt,
met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september
2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|