|
Uitspraak
03/2458 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
‘s-Hertogenbosch van 7 april 2003, nummer AWB 02/462, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2005,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.M.S.
Cremers, advocaat te Berlicum, en waar namens gedaagde is verschenen mr.
Th.C. van der Meijden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is op 22 september 1968 geboren in Libië. Hij heeft de
Libische en sedert 1995 tevens de Nederlandse nationaliteit. Appellant
lijdt aan een ernstige nierziekte. Hij heeft in verband daarmee van 1978
tot in 1982 in Duitsland verbleven, waar hij medische behandelingen
onderging. Op 8 augustus 1985 is appellant, op doorreis naar Duitsland,
in een ziekenhuis in ’s-Hertogenbosch opgenomen. Appellant is
sedertdien woonachtig in Nederland.
Op 21 april 2001 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met het
verzoek hem in aanmerking te brengen voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij besluit van 21 september 2001 heeft
gedaagde appellant een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geweigerd.
Daartoe is overwogen dat appellant op zijn zeventiende verjaardag
weliswaar in Nederland verbleef, doch gedurende de zes jaren daaraan
voorafgaande niet. Voorts is in aanmerking genomen dat appellant niet in
het kader van gezinshereniging naar Nederland is gekomen en dat hij op
zijn zeventiende verjaardag niet de A-status had. Bij het bestreden
besluit van 17 januari 2002 is dit besluit na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. De Raad overweegt het volgende.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is op appellant - voorzover
hier van belang - de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van
toepassing gebleven.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft
recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de
verzekerde die op de dag waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is,
zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij
na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
In artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW is bepaald dat
gedaagde bevoegd is met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende
aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking
te laten: algehele arbeidsongeschiktheid welke bestond op het tijdstip
dat de verzekering een aanvang nam. In lid 4 van dit artikel is
neergelegd dat het bepaalde in de vorige leden buiten toepassing blijft
ten aanzien van degene als bedoeld in artikel 6, eerst lid, onder b,
indien hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan zijn 17e
verjaardag in Nederland heeft gewoond.
Partijen verschillen er niet over van mening dat appellant op zijn 17e
verjaardag arbeidsongeschikt was en dat hij op dat moment in Nederland
woonde.
Appellants gemachtigde stelt zich primair op het standpunt dat de jaren
waarin appellant in Duitsland heeft gewoond dienen te worden
gelijkgesteld met jaren waarin hij in Nederland woonde en dat appellant
op die grond voldoet aan het bepaalde in het vierde lid van artikel 21
van de AAW. Gedaagde was naar het oordeel van appellants gemachtigde dan
ook niet bevoegd tot weigering van de uitkering over te gaan.
De Raad kan appellants gemachtigde hierin niet volgen. In het midden
latend wat er zij van de door haar bepleite gelijkstelling van
woonjaren, stelt de Raad vast dat appellant - zoals ter zitting door zijn gemachtigde is bevestigd
- van 1982
tot augustus 1985 in Libië woonde. Dat appellant in die periode, zoals
namens hem is gesteld, in verband met medische behandelingen regelmatig
in Duitsland verbleef, kan er niet aan afdoen dat appellant in genoemde
jaren niet in dat land woonachtig was. Reeds op deze grond moet worden
vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de eis dat hij in de zes
jaren direct voorafgaande aan zijn 17e verjaardag in Nederland woonde.
Gedaagde was derhalve op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en
onder a, van de AAW bevoegd tot weigering van de uitkering over te gaan.
Met betrekking tot het gebruik van deze bevoegdheid heeft gedaagde in
juni 1982 beleid ontwikkeld, waarin van deze weigeringsbevoegdheid wordt
afgezien indien aan een aantal, cumulatief bedoelde voorwaarden wordt
voldaan. Dit beleid is op 12 december 1991 uitgebreid. Gedaagde heeft in
deze toepassing gegeven aan dit laatste, gunstiger, beleid. In dit
beleid wordt onder de daarin genoemde voorwaarden geen uitkering
geweigerd aan een drietal categorieën van vroeggehandicapten, te weten
- de vluchteling met A-status;
- degene die voor zijn 17e verjaardag in Nederland woonde maar Nederland
heeft verlaten;
- degene die in verband met gezinshereniging naar Nederland komt.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van
6 april 1993 (RSV 1993/270) zijn deze beleidsregels in beginsel gelegen
binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.
De Raad kan slechts vaststellen dat appellant niet behoort tot de
categorieën van personen voor wie een weigering van uitkering als hier
aan de orde, achterwege blijft. Dat appellant aan sommige in het beleid
genoemde voorwaarden voldoet, maakt dit niet anders.
Van feiten of omstandigheden die gedaagde ertoe hadden moeten brengen om
in casu van zijn beleid af te wijken, is de Raad niet gebleken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|