|
Uitspraak
04/6393 WAJONG
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle
op 28 oktober 2004, nr. AWB 04/411, tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 5 april 2005, welke eveneens op 5 april 2005 aan
partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk
verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.
Opposant is tijdig van die uitspraak in verzet gekomen en heeft in een
nader schrijven de verzetsgronden aangevoerd waarop het verzet berust.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2005,
waar opposant in persoon is verschenen en waar geopposeerde zich niet
heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij uitspraak van 5 april 2005 heeft de Raad het hoger beroep
niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de bij
brief van 20 december 2004 gestelde termijn, welke eindigde op 31
januari 2005, is bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van
Beroep dan wel ter griffie is betaald.
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te
beantwoorden of bij de uitspraak van 5 april 2005 terecht is geoordeeld
dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is te achten.
Door opposant is in het aanvullend verzetschrift en ter zitting
aangevoerd dat het wegens zijn financiële situatie, met name door hoog
opgelopen medische kosten, niet mogelijk was om het griffierecht binnen
de door de Raad gestelde termijn te voldoen. Ter zitting heeft opposant
de Raad verzocht om een uitstel van betaling van het griffierecht.
De Raad is van oordeel dat opposant vóór afloop van de in de brief van
de Raad van 20 december 2004 gestelde betalingstermijn op 31 januari 2005, de Raad
had dienen in te lichten omtrent zijn financiële situatie waarna de
Raad een eventuele uitstel tot betaling van het griffierecht aan
opposant had kunnen verlenen. Thans kan een zodanig verzoek, daargelaten
nog de vraag of er voldoende gronden voor honorering ervan zijn, in
ieder geval niet meer gehonoreerd worden, aangezien de betalingstermijn
is verstreken. Door te wachten met het indienen van een verzoek om
uitstel van betaling van het griffierecht tot aan de behandeling van het
verzet ter zitting heeft opposant een risico genomen met betrekking tot
de ontvankelijkheid van het hoger beroep dat voor rekening van opposant
dient te blijven.
De Raad is voorts niet gebleken van omstandigheden waardoor opposant
niet in staat zou zijn geweest het griffierecht tijdig te voldoen dan
wel een verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht in te
dienen.
Het verzet moet derhalve ongegrond verklaard worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. M.M. van der Kade als leden, in tegenwoordigheid van M.
Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|