|
Uitspraak
03/4886 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, op
bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een
door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 21 augustus 2003 tussen
partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer AWB 01/3669
WAJONG.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 september 2005,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der
Veen, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.H.A.M.
Smithuijsen, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de uitspraak van de
rechtbank van 21 augustus 2003, voor zover daarin haar beroep tegen
gedaagdes besluit van 7 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit)
niet-ontvankelijk is verklaard.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar
van appellante tegen zijn besluit van 24 april 2001, waarbij gedaagde
aan appellante heeft meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang
van 1 januari 2003 zal worden beëindigd vanwege de verhuizing van
appellante naar Duitsland. Gedaagde heeft daarbij verwezen naar artikel
17, eerste lid, onder c, van de Wajong en naar het ter zake geldende
overgangsrecht.
Namens appellante is in beroep tegen het bestreden besluit, evenals in
bezwaar tegen het primaire besluit van 24 april 2001, aangevoerd dat aan
haar zowel mondeling als schriftelijk toezeggingen zijn gedaan dat zij
zich zonder problemen met behoud van haar uitkering in Duitsland kon
vestigen. Appellante heeft dit gedaan en is, naar zij heeft gesteld,
vervolgens in Duitsland aanzienlijke financiële verplichtingen
aangegaan.
Door de uitkering nu alsnog per 1 januari 2003 in te trekken, handelt
gedaagde naar de zienswijze van appellante in strijd met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het
rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast meent appellante dat de Wet
beperking export uitkeringen, op grond waarvan haar uitkering met ingang
van 1 januari 2003 wordt ingetrokken, een ontoelaatbare discriminatie
vormt van arbeidsongeschikten. Zij heeft in dit kader erop doen wijzen
dat mensen met een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering hun uitkering wel kunnen exporteren.
Appellante is van mening dat er geen enkele reden is om
jonggehandicapten met een Wajong-uitkering anders te behandelen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante, naar door haar
gemachtigde ter zitting is bevestigd, sinds 1 januari 2003 weer in
Nederland woont. De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat met de
terugkeer van appellante naar Nederland de reden voor beëindiging van
haar uitkering is komen te vervallen. Gedaagde heeft, naar van die zijde
onweersproken is verklaard, de uitkering van appellante de facto ook
zonder onderbreking gecontinueerd. Onder deze omstandigheden kan naar
het oordeel van de rechtbank niet langer worden gezegd dat appellante
nog een processueel belang heeft bij de beoordeling van haar beroep
tegen het bestreden besluit. Het door appelante met de onderhavige
procedure te bereiken resultaat is immers het kunnen genieten van een Wajong-uitkering
in Duitsland. Door weer naar Nederland te verhuizen heeft appellante het
bereiken van dit resultaat illusoir gemaakt. Aldus heeft de rechtbank
het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen. In
het bij de Raad ingediende beroepschrift is gewezen op de inmiddels in
werking getreden Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten
Nederland, gepubliceerd in de Staatscourant van 2 mei 2003, nr. 84,
welke erin zouden voorzien dat in gevallen als deze desgevraagd op
voorhand een voor bezwaar vatbaar besluit kan worden genomen met
betrekking tot de aanspraak op voortzetting van uitkering bij vestiging
in het buitenland. Appellante meent dat in haar geval aan evenvermelde
beleidsregels een anticiperende toepassing zou dienen te worden gegeven.
Appellante doet erop wijzen dat zij (uitsluitend) door de wetgeving
gedwongen naar Nederland is teruggekeerd. De benadering van de rechtbank
brengt mee dat zij thans geen mogelijkheid heeft inhoudelijk op te komen
tegen de intrekking van haar uitkering bij (hernieuwd) verblijf in het
buitenland. Zij zou dan ook ter zake alsnog een inhoudelijke
rechterlijke beoordeling willen verkrijgen. Appellante is van mening dat
haar een relevant processueel belang niet kan worden ontzegd.
De Raad ziet het hoger beroep van appellante niet slagen. De Raad kan
zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel
van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft
gebracht geeft de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. In
de pleitnota van de gemachtigde van appellante is expliciet gesteld dat
het doel dat appellante met de onderhavige procedure nastreeft, is te
bewerkstelligen dat zij op en na 1 januari 2003 in Duitsland of in enig
ander buitenland kan gaan/blijven wonen met behoud van uitkering. Zoals
evenwel ook door de rechtbank is overwogen ziet het bestreden besluit
uitsluitend op appellantes recht op uitkering op 1 januari 2003 en niet
tevens op enig ander nadien gelegen tijdstip.
Nu appellante op 1 januari 2003 niet langer in Duitsland woonde, maar
weer in Nederland woonachtig was, is de grond voor de in het bestreden
besluit in het vooruitzicht gestelde beëindiging van haar uitkering met
ingang van 1 januari 2003 komen te vervallen, en daarmede tevens haar
belang bij een rechterlijke beoordeling van dat besluit.
Indien appellante in de toekomst opnieuw het plan zou opvatten zich
wederom in Duitsland of enig ander buitenland te vestigen, kan zij
desgewenst gedaagde op dat moment verzoeken om, met inachtneming van de
hiervoor vermelde beleidsregels, een beslissing te nemen inzake de
consequenties van dat voornemen voor haar recht op uitkering, welke
beslissing zij alsdan desgewenst ook in bezwaar en beroep kan doen
toetsen. Ter zitting is overigens door appellante verklaard dat een
voornemen tot hernieuwde vestiging in Duitsland op dit moment vanwege
privé-omstandigheden niet langer aan de orde is, zodat ook haar beroep
op de na 1 januari 2003 in werking getreden beleidsregels, wat daar
overigens - met name wat betreft de betekenis voor dat beroep van de
datum van inwerkingtreding van die beleidsregels - van zij, reeds daarom
niet langer opgaat.
Het bovenstaande voert tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van
appellante tegen het bestreden besluit terecht en op goede gronden
niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak, voor
zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
Er zijn geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober
2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|