|
Uitspraak
03/2844 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 18 juli 2000 heeft appellant gedaagdes uitkering op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 september 2000
ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes
arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25% was.
Bij besluit van 21 mei 2001 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
tegen bovengenoemd besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 14 mei 2003, nummer AWB
01/576 WAJONG, het beroep tegen het besluit van 21 mei 2001 gegrond
verklaard en het besluit van 21 mei 2001 vernietigd.
Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift van
24 juni 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 16 september
2005, waar namens appellant is verschenen mr. S.T. Dieters, werkzaam bij
het Uwv, terwijl gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. G. Bakker
van Rechtshulp Noord.
II. MOTIVERING
Aan gedaagde is bij besluit van 12 november 1985 met ingang van 2 april
1984 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%.
Aan de aan dit besluit ten grondslag liggende stukken blijkt dat
gedaagde tengevolge van een ernstige vorm van cara sinds begin 1980 -
gedaagde was toen 23 jaar oud - arbeidsongeschikt werd geacht voor
arbeid in het vrije bedrijf.
De uitkering is verstrekt met ingang van 2 april 1984 omdat op basis van
het toenmalige artikel 25, tweede lid, van de AAW, de uitkering in
beginsel niet werd toegekend met een eerdere ingangsdatum dan een jaar
voor de datum van de aanvraag.
Op grond van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is de arbeidsongeschiktheid van
gedaagde herbeoordeeld.
Bij besluit van 4 september 1995 is de mate van arbeidsongeschiktheid
van gedaagde in de zin van de AAW onveranderd vastgesteld op een
percentage van 80 tot 100.
Bij besluit van 18 juli 2000 heeft appellant de uitkering van gedaagde
met ingang van 15 september 2000 ingetrokken. Dit op grond van de
overweging dat niet langer recht op een uitkering bestaat omdat gedaagde
met voor hem passend geachte werkzaamheden ongeveer 93% zou kunnen
verdienen van hetgeen de aan hem soortgelijke gezonde persoon zou kunnen
verdienen, zodat het verlies aan verdiencapaciteit 7% bedraagt.
Bij een dergelijk verlies aan verdiencapaciteit bestaat er, naar
appellant heeft overwogen, geen recht op een uitkering.
Appellant heeft het tegen dit besluit door gedaagde ingediende bezwaar
bij besluit van 21 mei 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het door gedaagde tegen deze beslissing ingestelde
beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 mei 2001 vernietigd. De
rechtbank was van oordeel dat een aantal functies - waaronder de
functie baliemedewerker postkantoor - niet aan de schatting ten
grondslag had mogen worden gelegd, omdat deze functies niet tijdig waren
geactualiseerd. De resterende aan het besluit tot intrekking ten
grondslag gelegde functies vertegenwoordigden geen 30 arbeidsplaatsen,
zoals vereist in het Schattingsbesluit van 8 juli 2000.
Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het ziekteverzuim van
gedaagde niet zodanig excessief is, dat van een werkgever in
redelijkheid niet kan worden verlangd gedaagde in bepaalde arbeid te
werk te stellen.
Appellant bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat de
functie baliemedewerker postkantoor niet aan de schatting ten grondslag
kan worden gelegd.
Voorts bestrijdt appellant - op basis van het uitgangspunt dat
gedaagde jeugdgehandicapte is - het door de rechtbank gebezigde
arbeidsongeschiktheidscriterium.
De gemachtigde van gedaagde heeft zich ter zitting op het standpunt
gesteld dat gedaagde zich niet kan vinden in het onderdeel van de
uitspraak van de rechtbank dat betrekking heeft op het antwoord op de
vraag of het ziekteverzuim van gedaagde als zodanig excessief moet
worden aangemerkt dat van een werkgever redelijkerwijs niet kan worden
gevergd gedaagde in dienst te nemen.
De Raad overweegt als volgt.
Appellant stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het zogeheten
middencriterium op gedaagde van toepassing is. Gedaagdes
arbeidsongeschiktheid is blijkens de gedingstukken ingetreden op 1
januari 1980, zodat hij, gelet op zijn geboortedatum 20 december 1956,
geen jeugdgehandicapte in de zin van de toenmalige AAW was. Op gedaagde
is - zoals de rechtbank terecht heeft aangenomen - van toepassing
het per 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium, welk
criterium overigens door appellant zelf reeds was toegepast bij de
eenmalige herbeoordeling in het kader van de Wet terugdringing beroep op
de arbeidsongeschiktheidsregelingen per 1 april 1995.
Wel slaagt de beroepsgrond van appellant dat de rechtbank ten onrechte
van oordeel was dat de functie baliemedewerker postkantoor niet aan de
schatting ten grondslag kon worden gelegd. Met appellant is de Raad van
oordeel dat dit wel tot de mogelijkheden behoorde. De functie is
geactualiseerd op 17 maart 1999, terwijl de intrekking van het recht op
uitkering met ingang van 15 september 2000 is geschied. De functie is
mitsdien geactualiseerd binnen een termijn van 18 maanden voor de in
geding zijnde datum. De Raad wijst overigens op zijn inmiddels vaste
jurisprudentie inhoudende dat een geringe overschrijding van de termijn
van 18 maanden nog niet zonder meer met zich meebrengt dat een functie
niet aan een schatting ten grondslag mag worden gelegd.
Het is de Raad uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht niet
kunnen blijken dat het door de rechtbank gegeven oordeel omtrent de
geschiktheid van gedaagde voor de functies documentaire
informatieverzorger (FB-code 1915), schadebeoordelaar (FB-code 3931) en
administratief medewerker (FB-code 3991) voor gedaagde onjuist zou zijn.
Nu aan de schatting ook de functie baliemedewerker postkantoor (FB-code
3317) ten grondslag kan worden gelegd rust de schatting op 4 FB-codes,
die meer dan 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Er is mitsdien sprake
van een voldoende grondslag voor de in geding zijnde schatting.
De Raad overweegt ten slotte dat hetgeen gedaagde in hoger beroep naar
voren heeft gebracht met betrekking tot de aanwezigheid van excessief
ziekteverzuim een herhaling vormt van hetgeen hij reeds in beroep heeft
aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.
De Raad kan zich verenigen met de conclusie en overwegingen ter zake van
de rechtbank.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond wordt verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|