|
Uitspraak
03/3601 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 juni 2002 heeft appellant aan gedaagde, naar
aanleiding van diens verzoek d.d. 27 februari 2002 om toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, met ingang van 27 februari 2001 een
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) verstrekt, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daaraan is mede ten grondslag
gelegd artikel 29, tweede lid, eerste volzin, van de Wajong, waarin is
geregeld dat de uitkering niet vroeger ingaat dan een jaar voor de dag,
waarop de aanvraag om toekenning werd ingediend.
Een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van dit artikellid
heeft appellant niet aanwezig geacht.
Bij besluit van 16 augustus 2002 heeft appellant het bezwaar van
gedaagde tegen bovengenoemd besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 5 juni 2003, reg.nr. Awb 02
- 1415 WAJONG, het tegen het besluit van 16 augustus 2002 (hierna:
bestreden besluit) ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden
besluit vernietigd.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 29 september 2003
aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, gedateerd 19 oktober
2003.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16
september 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, en waar voor gedaagde zijn verschenen [zijn
ouders], zijn ouders, optredend als zijn gemachtigden.
II. MOTIVERING
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als
zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.
In dit geding is de vraag aan de orde of appellant zich bij het
bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien
van gedaagde geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding
geven om af te wijken van de in artikel 29, tweede lid, eerste volzin,
van de Wajong neergelegde regel dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet vroeger ingaat dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag werd
ingediend.
De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat deze vraag ontkennend
moet worden beantwoord en schaart zich achter de door de rechtbank in de
aangevallen uitspraak gebezigde overwegingen. De Raad voegt hieraan toe
dat hetgeen desgevraagd door gedaagdes ouders ter zitting in hoger
beroep is verklaard de door de rechtbank gegeven overwegingen ten
aanzien van de aanwezigheid van een bijzonder geval ondersteunt.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad
geen aanleiding voor een ander oordeel.
De Raad merkt ten overvloede op dat appellant bij zijn besluitvorming
of, en zo ja, hoe gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid de uitkering
toe te kennen met ingang van een datum gelegen meer dan een jaar voor de
datum van de aanvraag, hij het financieel belang van gedaagde zorgvuldig
dient te wegen ten opzichte van zijn eigen belang, te weten: de
belasting van zijn uitkeringsadministratie door een geval als het
onderhavige. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen mag appellant in
het kader van die belangenafweging aan de belasting van zijn
uitkeringsadministratie een groter gewicht toekennen naar gelang het
tijdvak waarover de uitkering alsnog moet worden vastgesteld, verder in
het verleden is gelegen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd,
dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|