|
Uitspraak
03/5937 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 6 september 2002 heeft gedaagde de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) op en na 22
januari 2001 vastgesteld op minder dan 25% en hem om die reden een
uitkering ingevolge de Wajong geweigerd. Bij besluit van 15 november
2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6
september 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 19 november 2003, reg.nr.
AWB 02/1815 WAJONG, het beroep van appellant tegen het besluit van 15
november 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. J.W. Rauh, advocaat te Hoensbroek, van die
uitspraak op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangevoerde
gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.
Bij brieven van 28 mei 2004 en 16 februari 2005 heeft de gemachtigde van
appellant brieven met bijlagen van de arts H.P. Deurenberg van 11 mei 2004 en 10 februari 2005 ingezonden.
Gedaagde heeft bij brief van 10 februari 2005 een commentaar van de
bezwaarverzekeringsarts van 21 februari 2005 ingezonden. Desgevraagd
heeft appellant een nader stuk overgelegd en heeft gedaagde een nader
rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 25 augustus 2005 ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 oktober 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Rauh, en waar
namens gedaagde is verschenen mr. R.G. Willems, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en
omstandigheden zoals vermeld in de aangevallen uitspraak. De Raad voegt
daaraan toe dat appellant in 1994 bij onderzoek door de
Gemeenschappelijke Medische Dienst aangewezen werd geacht op niet
rechterheup belastende werkzaamheden zonder tijdsdruk, waarmee hij een
loon kon verdienen van minimaal het wettelijk minimumloon plus 25%.
De rechtbank heeft op grond van de beschikbare medische gegevens
vastgesteld dat ten aanzien van appellant per 22 januari 2001 als gevolg van slijtage (artrose) van de rechterheup,
concentratiestoornissen en geheugenverlies medische beperkingen bestaan
tot het verrichten van arbeid. Naar het oordeel van de rechtbank bieden
diezelfde medische gegevens echter onvoldoende steun voor het oordeel
dat de medische beperkingen van appellant per 22 januari 2001 niet
correct zouden zijn vastgesteld. Met betrekking tot hetgeen namens
appellant daartoe is aangevoerd wijst de rechtbank op de commentaren van
de bezwaarverzekeringsarts. Ook voor de namens appellant bepleite
urenbeperking ziet de rechtbank geen steun in de door appellant
overgelegde rapporten en wijst tevens op zijn feitelijke daginvulling.
Het standpunt van gedaagde dat met de concentratieproblemen van
appellant voldoende rekening is gehouden door bij het selecteren van
functies uit te gaan van ten hoogste MBO-niveau komt de rechtbank niet
onjuist voor. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de
rechtbank op een deugdelijke medische grondslag. Met inachtneming van de
door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen moet appellant per
de datum in geding in staat worden geacht tot het verrichten van
regelmatige duurzame arbeid. De rechtbank onderschrijft het standpunt
van gedaagde dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies
zijn aan te merken als algemeen geaccepteerde arbeid die appellant gelet
op de voor hem geldende medische beperkingen kan vervullen. Nu hij met
het inkomen dat hij in die functies kan verdienen een verlies aan
verdienvermogen van minder dan 25% heeft, is hem terecht een
Wajong-uitkering geweigerd.
Appellant voert in hoger beroep aan dat sedert het verslag van de
orthopedisch chirurg dr. P.A.M. Winkelman van 17 januari 1991 een
aanzienlijke verslechtering van zijn medische situatie heeft
plaatsgevonden en verwijst in dat verband naar de door hem overgelegde
rapportages van de arts Deurenberg. Appellant is van mening dat gedaagde
in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft
gehandeld door geen nader specialistisch onderzoek te doen verrichten,
ondanks dat de medische gegevens waarop gedaagde is afgegaan, van meer
dan tien jaar terug dateren. Dit geldt zowel voor zijn lichamelijke als
voor zijn psychische klachten, met name concentratieproblemen. Voorts
acht appellant zich niet in staat werkzaamheden in een voltijdse dagtaak
te verrichten en verwijst daartoe naar een door hem overgelegd rapport
van een psychologisch onderzoek arbeidsmogelijkheden van 17 december
2003 van A. Blaauw, psychologe/loopbaanadviseur CBB BV.
Gedaagde merkt in het verweerschrift met betrekking tot de stelling dat
het bestreden besluit zonder nader deugdelijk specialistisch medisch
onderzoek een deugdelijke medische grondslag ontbeert op dat gedaagde
bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling het uitgangspunt hanteert
dat tot het inwinnen van informatie bij de behandelende sector wordt
overgegaan, indien deze informatie noodzakelijk is om informatie die de
verzekerde heeft gegeven aan te vullen of te toetsen. Nu appellant
sedert 1992 niet meer onder medische behandeling is, kan het inwinnen
van medische informatie volgens gedaagde niet aan de orde zijn. De door
appellant overgelegde stukken geven gedaagde, gelet op het commentaar
daarop van de bezwaarverzekeringsarts, geen aanleiding zijn standpunt te
herzien.
De Raad overweegt het volgende.
De verzekeringsarts heeft zijn medisch oordeel mede gebaseerd op het
rapport van de orthopedisch chirurg Winkelman van 17 januari 1991, die
appellant op 7 januari 1991 heeft onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts
is blijkens het rapport van 11 november 2002, alle medische gegevens en de door appellant verstrekte
inlichtingen overziende, van oordeel dat de verzekeringsarts met
voldoende beperkingen ten gevolge van de rechterheupklachten en
cognitieve klachten rekening heeft gehouden. De belasting in de
appellant voorgehouden functies blijft ruim onder de vastgestelde
belastbaarheid. Een urenbeperking lijkt de bezwaarverzekeringsarts niet
aan de orde. In de brief van 15 januari 2003 wijst de bezwaarverzekeringsarts nog op de dagactiviteiten van appellant naast het feit
dat hij een aantal uren per dag werkt. Van een energetische beperking
die indicatie voor een urenbeperking zou moeten zijn, is dan ook volgens
de bezwaarverzekeringsarts geen sprake. Het is de
bezwaarverzekeringsarts niet duidelijk op grond van welke bevindingen de
GGD-arts in de door appellant in beroep overgelegde brief van 10 oktober
2000 tot de conclusie komt dat appellant voor 5 à 6 uur per dag
arbeidsgeschikt is. Dat geen medische informatie is opgevraagd spreekt
vanzelf nu appellant niet onder behandeling staat. In de commentaren op
de diverse brieven van de arts Deurenberg stelt de
bezwaarverzekeringsarts dat de artrose in de rechterheup bekend was en
dat de verslechtering van de heupfunctie in de beoordeling is betrokken
nu dit een te verwachten gang van zaken is. De rapporten van Deurenberg
bevatten geen nieuwe medische feiten of gezichtspunten die het oordeel
zouden doen wijzigen. Ook met de pijnklachten is volgens de
bezwaarverzekeringsarts zoveel mogelijk rekening gehouden, waarbij de
bezwaarverzekeringsarts aantekent dat slechts de belastbaarheid voor
betaalde arbeid onderwerp is van de beoordeling, los van de belasting in
de privésfeer. In een nadere toelichting van 25 augustus 2005 stelt de
bezwaarverzekeringsarts dat ten tijde van het onderzoek in 1991 reeds
duidelijke beperkingen zijn vastgesteld ten aanzien van heupbelastende
activiteiten. Toen werden ook reeds artrotische afwijkingen vastgesteld.
Er zullen tot 2001 nog wel wat degeneratieve veranderingen hebben
plaatsgevonden, echter het is niet goed aan te geven van welke aard of
ernst deze zijn geweest. Deze zijn retrospectief echter niet dusdanig
geweest dat appellant hiervoor vanaf 1992 tot 2002 een specialist heeft
geraadpleegd of aanvullende onderzoeken heeft laten verrichten. De
vastgestelde belastbaarheid geldt zowel voor de datum 17 januari 1991
als voor de datum 22 januari 2001, aldus de bezwaarverzekeringsarts.
Blijkens het aanvullend hoger beroepschrift van 13 januari 2004 betwist
appellant niet dat hij de geduide functies zou kunnen verrichten, maar
hij acht zich niet in staat deze functies voltijds te verrichten. Hij
wijst op de conclusies van eerdergenoemd rapport van een psychologisch
onderzoek naar arbeidsmogelijkheden en verzoekt de Raad subsidiair een
nader specialistisch onderzoek te doen verrichten.
De Raad is van oordeel dat de thans beschikbare gegevens, bezien in
samenhang met de daarop van de zijde van gedaagde gegeven toelichtingen,
voldoende steun bieden aan de opvatting van gedaagde dat appellant op de
datum in geding, gelet op zijn medische beperkingen, in staat was de hem
door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies zonder urenbeperking te
vervullen en met die functies ten minste 75% van zijn maatmaninkomen te
verdienen. De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen
aanleiding een onafhankelijke deskundige te raadplegen. Dat in januari
2004 vervaardigde röntgenfoto’s van bekken en rechterheup een
evidente verslechtering van de heup laten zien kan niet afdoen aan dit
oordeel, nu daarmee niet is aangetoond dat appellant op de datum hier in
geding meer medische beperkingen had tot het verrichten van arbeid dan
gedaagde heeft aangenomen. Het overgelegde rapport van het psychologisch
onderzoek kan evenmin tot een ander oordeel leiden, nu dit geen medisch
relevante gegevens bevat.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17
januari 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|