|
Uitspraak
03/2943 WAJONG en 03/2944 WAJONG
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij besluit van 16 oktober 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 2 juli 2002 waarbij hij
heeft geweigerd aan haar per 6 januari 1998 een uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
toe te kennen.
Bij besluit van eveneens 16 oktober 2002 heeft gedaagde evenzeer
ongegrond verklaard het bewaar van appellante tegen zijn besluit van 10
juli 2002 waarbij hij aan haar in verband met het niet tijdig hebben
ingediend van een aanvraag om toekenning van een Wajong-uitkering heeft
gewaarschuwd (de maatregel heeft opgelegd) dat, indien zij binnen twee
jaar opnieuw de verplichting tot het tijdig doen van een aanvraag om
toekenning van een uitkering overtreedt, hij in het algemeen een uit een
korting op de uitkering bestaande maatregel moet opleggen, zulks onder
verwijzing naar onder meer artikel 28 van de Wajong, het Maatregelenbesluit en het Besluit
waarschuwing.
Bij (mondelinge) uitspraak van 16 mei 2003, kenmerk AWB 02/3946 WAJONG
en AWB 02/3953 WAJONG, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van
appellante tegen de beide besluiten van 16 oktober 2002 ongegrond
verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend en heeft bij
brief van 14 september 2005 (met bijlagen) gereageerd op een hem door de
Raad bij brief van 19 juli 2005 voorgelegde vraag.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2005.
Appellante is niet verschenen. Voor gedaagde is verschenen A.M.
Snijders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De uitkering
Appellante, geboren [in] 1980, heeft op 28 januari 2002 een Wajong-uitkering aangevraagd, stellende dat zij, sinds zij in of
omstreeks februari 1994 last is gaan krijgen van epilepsie, in het
geheel niet in staat is tot het verrichten van welke arbeid dan ook. Zij
is op 28 maart 2002 onderzocht door de primaire verzekeringsarts H.I.
Jansen die (mede op basis van van de appellante sedert juni 1994
behandelend neurologe L.H. Penning de Vries - Bos verkregen gegevens) is
gekomen tot de conclusie dat appellante duurzaam benutbare mogelijkheden
heeft en die een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld. Aan de hand van
dat belastbaarheidspatroon en na overleg met de primaire
verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige E.J. Andree aan appellante
functies voorgehouden die zij naar zijn mening met haar beperkingen kan
verrichten en waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat niet kan
worden gesproken van verlies aan verdiencapaciteit. Vervolgens is bij
het primaire besluit van 2 juli 2002 een Wajong-uitkering geweigerd. Bij
het besluit op bezwaar van 16 oktober 2002 heeft gedaagde het bezwaar
van appellante tegen dat besluit op advies van de
bezwaarverzekeringsarts M. Keus, die zich volledig heeft aangesloten bij
de bevindingen van de primaire verzekeringsarts, ongegrond verklaard. In
beroep heeft appellante aangevoerd dat zij zich vanwege haar
lichamelijke en geestelijke beperkingen niet in staat acht tot het
vervullen van een functie op de arbeidsmarkt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond
verklaard, van oordeel allereerst dat de enkele, niet met medische
gegevens onderbouwde stelling van appellante dat zij in het geheel geen
arbeid kan verrichten, onvoldoende is om af te wijken van het door de
bezwaarverzekeringsarts en de behandelend neurologe bevestigde standpunt
van de (primaire) verzekeringsarts dat zich niet de situatie voordoet
dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en voorts dat
het door appellante in beroep niet bestreden standpunt van de
arbeidsdeskundige dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan
25% bedraagt geen twijfel oproept.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij, zo zij al vanwege
haar lichamelijke beperkingen in staat zou zijn tot werken, daartoe om
psychische redenen niet in staat is vanwege de angst voor een
epilepsieaanval en dat de psychische (angst)factoren door gedaagde ten
onrechte niet zijn meegewogen
De Raad deelt het oordeel van de rechtbank.
Appellante is onderzocht door de primaire verzekeringsarts die, alvorens
een standpunt in te nemen, gegevens heeft opgevraagd bij de appellante
behandelend neurologe. Deze heeft bevestigd dat bij appellante sprake is
van epilepsie en aangegeven dat die epilepsie met medicatie goed is
ingesteld alsook dat het raadzaam is dat appellante geen beeldschermwerk
verricht. Tegenover de primaire verzekeringsarts noch in de bezwaarfase
heeft appellante melding gemaakt van een zodanige angst om bij het
verrichten van werkzaamheden een epilepsieaanval te krijgen dat zij in
het geheel niet tot het verrichten van welke werkzaamheden dan ook in
staat is te achten, zodat gedaagde daarmee bij het nemen van het besluit
op bezwaar geen rekening heeft kunnen houden. Appellante heeft geen
medische gegevens ter ondersteuning van haar standpunt overgelegd. Van
een onzorgvuldig medisch onderzoek is de Raad niet kunnen blijken en ook
overigens heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten
kunnen vinden voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de
primaire verzekeringsarts en/of de bezwaarverzekeringsarts.
Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft appellante geen
grieven naar voren gebracht. De Raad heeft zijn aanvankelijk bestaande
twijfel wat de actualiteit van de aan de schatting ten grondslag gelegde
functies betreft voorgelegd aan gedaagde, maar die twijfel is door
gedaagde weggenomen met het nadere rapport van de
bezwaararbeidsdeskundige J. Noordermeer van 15 december (lees:
september) 2005, dat appellante geen aanleiding tot een reactie heeft
gegeven.
De maatregel
Wat de aan haar bij het primaire besluit van 10 juli 2002 opgelegde en
bij het besluit op bezwaar van 16 oktober 2002 gehandhaafde maatregel
betreft heeft appellante in hoger beroep als eerste argument aangevoerd
dat het niet eerder hebben ingediend van de Wajong-aanvraag haar niet
valt te verwijten, omdat zij op de mogelijkheid daarvan niet door de
sociale dienst van de gemeente Rotterdam (in welke gemeente zij tot in
oktober 2001 heeft gewoond en een bijstandsuitkering heeft toegekend
gekregen) is gewezen en als tweede argument dat het opleggen van een
maatregel niet valt te rijmen met een weigering om een Wajong-uitkering
toe te kennen.
De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank die
inhouden dat de verplichting om tijdig een aanvraag in te dienen een
verantwoordelijkheid is die primair op de betrokkene rust, dat daaraan
niet afdoet dat de gemeentelijke sociale dienst in het kader van de
Algemene bijstandswet doorgaans de betrokkene daarop wijst en dat het te
laat indienen aan appellante is toe te rekenen.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad kan onbekendheid met de geldende
regelgeving geen verontschuldiging opleveren.
Het tweede argument van appellante is naar het oordeel van de Raad door
gedaagde afdoende in diens verweerschrift weerlegd met het standpunt dat
de mogelijkheid bestaat dat appellante het niet eens is met de weigering
en aan haar naar aanleiding van een bezwaar- of beroepsprocedure alsnog
een uitkering moet worden toegekend, waarbij - aldus gedaagde - nog komt
dat bij recidive op grond van het Maatregelenbesluit alsnog een korting
op de uitkering kan worden opgelegd.
Het vorenstaande brengt met zich dat het hoger beroep van appellante in
beide gedingen faalt. Aangezien voor een proceskostenveroordeling met
toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht geen
termen aanwezig zijn, beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. J. Brand als leden in tegenwoordigheid van mr. J.E.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|