|
Uitspraak
03/4542 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft N.R. Hardenbol, werkzaam bij Hardenbol &
Partners Accountants te Hardinxveld-Giessendam, hoger beroep ingesteld
tegen de tussen partijen op 1 augustus 2003 onder kenmerk AWB 02/295
door de rechtbank Dordrecht gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 28 september 2005 heeft gedaagde desgevraagd stukken
toegezonden.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar
appellant werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde N.R. Hardenbol en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huizer,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant ontving met ingang van 27 april 1980 in verband met
visusproblemen een volledige uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellant
werkte als zelfstandige en gaf in die hoedanigheid muzieklessen in een
eigen studio en aan een school.
Bij besluit van 17 oktober 2001 - voor zover van belang - heeft
gedaagde aan appellant medegedeeld dat de Wajong-uitkering in verband
met zijn inkomsten als zelfstandige over de periode van 1 januari 2000
tot 1 januari 2001 wordt betaald als ware appellant ingedeeld in de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Bij besluit van 8 april
2002 heeft gedaagde het besluit van 17 oktober 2001 gehandhaafd. Bij
besluit van 3 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde
het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2001 alsnog
gegrond verklaard en besloten dat de uitkering over het jaar 2000 wordt
betaald als ware appellant 65 tot 80% arbeidsongeschikt.
Gedaagde heeft de inkomsten uit arbeid van appellant geanticumuleerd op
grond van artikel 50 van de Wajong. Daarbij is uitgegaan van de door
appellant opgegeven en door de fiscus aanvaarde netto winst uit
onderneming over het jaar 2000 ten bedrage van f. 24.896,00. Gedaagde
stelt zich op het standpunt dat er geen reden is hiervan af te wijken en
een deel van de winst te beschouwen als beloning voor de arbeidsinbreng
van de echtgenote van appellant. Appellant heeft namelijk geen
meewerkovereenkomst met zijn echtgenote gesloten als bedoeld in artikel
5, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964)
en evenmin een meewerkaftrek toegepast als bedoeld in artikel 44n van
die wet. Bovendien heeft de echtgenote van appellant in 2000 een
loondienstfunctie vervuld die vrijwel haar gehele voor werkzaamheden
beschikbare tijd in beslag heeft genomen.
In beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde ten onrechte de gehele
fiscale winst uit het bedrijf over het jaar 2000 heeft toegerekend aan
appellant en gesteld dat de helft van de winst, dus een bedrag van f.
12.268,00, aangemerkt dient te worden als een reλle arbeidsbeloning van
zijn echtgenote. Het komt dan niet meer tot anticumulatie van de
inkomsten over het jaar 2000. Voor het sluiten van een
meewerkovereenkomst bestond fiscaal geen mogelijkheid omdat niet werd
voldaan aan de fiscale voorwaarde dat de reλle arbeidsbeloning hoger
moet zijn dan tweemaal de basisaftrek. De omstandigheid dat geen gebruik
is gemaakt van de meewerkaftrek is naar de mening van appellant niet van
belang.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak - voor zover van belang -
het beroep van appellant met toepassing van artikel 6:19, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht
tegen het bestreden besluit en dit aldus begrepen beroep ongegrond
verklaard. Daarbij heeft zij overwogen dat hetgeen door appellant is
aangevoerd geen bijzondere omstandigheid oplevert die gedaagde ertoe had
moeten brengen af te wijken van het overeenkomstig vaste jurisprudentie
van de Centrale Raad van Beroep geldende uitgangspunt dat bij de
bepaling van de hoogte van de winst in beginsel moet worden aangesloten
bij de door de fiscus geaccepteerde/vastgestelde winst en dat een
betrokkene in beginsel gehouden is aan de keuze die hij in fiscaal
opzicht heeft gemaakt.
In hoger beroep hebben partijen hun standpunten herhaald.
In geding is de vraag of het hiervoor weergegeven oordeel van de
rechtbank juist is.
Het gaat hier om anticumulatie van inkomsten uit arbeid op grond van
artikel 50, eerste lid, van de Wajong. Zoals de Raad heeft overwogen in
zijn uitspraak van 14 maart 2003, LJN AF7509, dienen ingevolge zijn
vaste jurisprudentie ten aanzien van het soortgelijke artikel 33 van de
AAW de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige te worden gesteld op
(het aan de betrokkene toekomende deel van) de fiscale nettowinst,
tenzij gesproken moet worden van (bijzondere) omstandigheden die
aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Deze uitspraak heeft
weliswaar betrekking op anticumulatie op grond van artikel 58 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, doch de Raad ziet geen
aanleiding om terzake van de toepassing van het vergelijkbare artikel 50
van de Wajong anders te oordelen. In zoverre heeft de rechtbank dus de
juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Anders dan de rechtbank is de Raad
er echter niet van overtuigd geraakt dat zich in dit geval geen
bijzondere omstandigheden als hierboven bedoeld hebben voorgedaan.
Hiertoe wordt als volgt overwogen.
In zijn rapport van 17 september 2001 stelt de arbeidsdeskundige dat het
duidelijk is dat appellant niet kan functioneren zonder de hulp van zijn
echtgenote; zij verricht de administratie, zoals het inboeken van
leerlingen en opmaken van rekeningen alsmede het vervoer van appellant,
indien aan de orde. De Raad heeft geen reden te twijfelen aan de
juistheid van deze constatering en leidt hieruit af dat de echtgenote
van appellant een wezenlijke inbreng had in de onderneming. Een
loondienstbetrekking van haar van 30 uren per week hoeft hieraan niet in
de weg te staan.
Het door appellant aangehouden bedrag van de zuivere inkomsten uit
arbeid van zijn echtgenote was echter niet ten minste gelijk aan
tweemaal de basisaftrek, zodat appellant geen gebruik kon maken van de
in artikel 5 van de Wet IB 1964 gegeven mogelijkheid de arbeidsbeloning
af te trekken van de winst uit onderneming. De Raad heeft voorts geen
reden tot twijfel aan de mededeling van de gemachtigde van appellant te
zijner zitting dat te laat bezwaar is gemaakt bij de fiscus in verband
met het niet meenemen van de meewerkaftrek als bedoeld in artikel 44n
van de Wet IB 1964.
Het voorgaande betekent dat het voor appellant niet mogelijk is geweest
de arbeidsinbreng van zijn echtgenote fiscaal tot uitdrukking te
brengen. Naar het oordeel van de Raad levert dit een bijzondere
omstandigheid op waaraan in het kader van de toepassing van artikel 50
van de Wajong niet kan worden voorbij gegaan.
De door appellant in de jaarstukken opgevoerde arbeidsbeloning van zijn
echtgenote ten bedrage van 50% van de jaarwinst, zijnde f. 12.268,00,
staat naar het oordeel van de Raad echter niet in een evenwichtige
verhouding tot de daarbij voor appellant overblijvende winst. Immers,
uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R. Speur van 25 november
2002 blijkt dat een valide muziekdocent in loondienst voor 36 uur per
week in het jaar 2000 f. 86.767,20 verdiende. Het loon van een
telefoniste/administratief medewerkster ligt aanzienlijk lager. Daarom
acht de Raad het aangewezen voor de berekening van de inkomsten die de
meewerkend echtgenote geacht kan worden te hebben genoten analoge
toepassing te geven aan het eerste lid van artikel 5 van het
Inkomensbesluit Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en
wel door de ondernemingswinst te vermenigvuldigen met de in dit lid
genoemde factor X/Y.
Daarbij acht de Raad het in elk geval aannemelijk dat, gelet ook op de
dienstbetrekking van de echtgenote van appellant elders, haar
arbeidsinbreng in uren aanzienlijk lager uitvalt dan die van appellant.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit van 3 april 2003 voor
vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak voor
zover deze betrekking heeft op dit besluit. Gedaagde zal opnieuw in de
zaak moeten voorzien, waarbij het hem vrij staat de arbeidsinbreng van
appellant en die van zijn echtgenote in het bedrijf desgewenst nader te
onderzoeken.
De Raad ziet aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75, eerste
lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger
beroep. Deze kosten zijn begroot op 644,00 voor verleende
rechtsbijstand. De Raad is niet gebleken dat appellant andere, voor
vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt. Naar aanleiding
van het verzoek van de gemachtigde van appellant de kosten hoger vast te
stellen in verband met de visuele handicap van appellant wijst de Raad
erop dat het ter uitvoering van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb
genomen Besluit proceskosten bestuursrecht met betrekking tot vergoeding
van kosten voor rechtsbijstand voorziet in forfaitaire bedragen welke
onafhankelijk zijn van factoren als door de gemachtigde van appellant
zijn aangevoerd.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 3 april 2003
gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep,
welke zijn begroot op 644,00, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van 87,00 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31
januari 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|