|
Uitspraak
04/808 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden
van 9 januari 2004, nummer 03/709 WAJONG, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een vraag beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 december 2005,
waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en
waar namens gedaagde is verschenen J.T. Wielinga, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante is geboren [in] 1965. Zij had vanaf circa dertienjarige
leeftijd diverse gezondheidsproblemen. In verband hiermee is haar met
ingang van 1 september 1983 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Nadat was gebleken dat appellantes gezondheidsproblemen waren toe te
schrijven aan een hypofysetumor, heeft zij in 1988 een operatie
ondergaan, waarbij de tumor en vrijwel de gehele hypofyse werd
weggenomen. Het tekort aan hormoonproductie dat aanvankelijk door de
tumor en nadien door de verwijdering van de hypofyse werd veroorzaakt,
is nadien gesubstitueerd met medicijnen.
Appellantes uitkering ingevolge de AAW is met ingang van 1 april 1992 beëindigd
omdat appellante met ingang van die datum arbeidsgeschikt werd geacht.
Op 31 juli 2002 heeft appellante zich tot gedaagde gewend met het
verzoek haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Gedaagde heeft dit verzoek (onder andere) opgevat als een verzoek terug
te komen van het besluit van zijn rechtsvoorganger om appellantes
uitkering ingevolge de AAW met ingang van 1 april 1992 in te trekken.
Bij beslissing van 15 oktober 2002 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen,
welke beslissing bij het bestreden besluit van 16 mei 2003 na bezwaar is
gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
De Raad heeft al eerder overwogen, dat overeenkomstig hetgeen voor
herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een
eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, mag worden verlangd
dat bij dit verzoek niet gebleken feiten of veranderde omstandigheden
worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer
geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld,
kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder
verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij zijn beoordeling of het bestuursorgaan van deze bevoegdheid gebruik
heeft kunnen maken, kan de bestuursrechter slechts acht slaan op feiten
en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase naar voren zijn
gebracht. Het bestuursorgaan heeft zijn besluit immers uitsluitend op
die feiten en omstandigheden kunnen baseren. De Raad zal bij zijn
beoordeling derhalve de stukken die door of namens appellante in de
(hoger) beroepsfase zijn overgelegd, niet betrekken.
In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat zij door het ontbreken
van groeihormonen in een slechte conditie was, waardoor zij niet tot
werken in staat is geweest. Daarbij is een brief overgelegd van
appellantes behandelend internist endocrinoloog drs. A. Alberda, die
heeft verklaard dat appellante klachten heeft van extreme vermoeidheid,
algehele malaise, gering uithoudingsvermogen en vochtretentie. Voorts is
erop gewezen dat bij de intrekking van appellantes uitkering in 1992 een
belangrijke rol lijkt te hebben gespeeld dat appellante werkzaam was
geweest, terwijl appellante haar werkzaamheden slechts met grote moeite
enige tijd heeft kunnen volhouden en uiteindelijk heeft moeten beëindigen.
Met gedaagde is de Raad van oordeel dat met dit alles geen nieuwe feiten
of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht. Bij de
beoordeling in 1992 waren appellantes aandoening en de daardoor
veroorzaakte klachten bekend; de in de bezwaarfase overgelegde gegevens
werpen daarop geen ander licht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van
artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de
motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het
besluit tot intrekking van appellantes AAW-uitkering. Naar het oordeel
van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van
die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins
heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel
of met een algemeen rechtsbeginsel.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet aanleiding - voor dit geding ten overvloede - nog het
volgende op te merken. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante een
brief van 11 december 2003 van haar behandelend internist endocrinoloog
drs. Alberda overgelegd. Dit schrijven luidt als volgt.
“Zoals u reeds in uw schrijven d.d. 13-11-2003 heeft vermeld is mw.
[appellante] bekend met een status na hypofyseoperatie waarbij met name
de tumor en hypofyse grotendeels werden verwijderd. Ook heeft ze daarna
nog een bestraling ondergaan op dit hypofysegebied. Uit de toen
verrichte testen bleek dat zij in die tijd al een tekort aan
groeihormoon had. Echter in die tijd konden wij zeker nog niet patiënten
behandelen met groeihormoon. Eind jaren negentig kwam steeds meer het
inzicht wat de gevolgen waren c.q. konden zijn van een tekort aan
groeihormonen. Ook nu is slechts onder frequente poliklinische evaluatie
groeihormonentherapie mogelijk gemaakt. Het blijkt dat mw. [appellante]
zeker subjectief baat heeft bij deze therapie. Ook objectief zijn de
parameters verbeterd.”
Naar het oordeel van de Raad is hier niet slechts sprake van een
beschouwing en beoordeling van een arts op basis van de reeds lang
bekende feiten en omstandigheden, zoals in ’s Raads uitspraak van 21
september 2004 (USZ 2004/349). Een dergelijke beschouwing valt, zoals de
Raad in die uitspraak heeft overwogen, niet als een nieuw feit of een
veranderde omstandigheid aan te merken. Blijkens de brieven van drs.
Alberda is in casu sprake van nieuwe medische inzichten ten aanzien van
appellantes gezondheidssituatie. Weliswaar was ten tijde van de
beoordeling van appellantes arbeids(on)geschiktheid in 1991 reeds bekend
dat bij appellante sprake was van een tekort aan groeihormonen, maar
blijkens hetgeen drs. Alberda opmerkt, is eerst eind jaren negentig
inzicht ontstaan in de betekenis van dit tekort voor het functioneren
van de betrokkenen. Naar het oordeel van de Raad moet dit worden
aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Genoemde
brief zou dan ook aan een nieuw verzoek om terug te komen van de
intrekking van appellantes AAW-uitkering per 1 april 1992 ten grondslag
kunnen worden gelegd.
Gezien het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2006.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|