|
Uitspraak
03/6138 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In
deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 20 juli 2001 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 26 februari 2001 waarbij de
aan haar naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer
laatstelijk op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
jonggehandicapten (Wajong) toegekende uitkering per 26 april 2001 is beλindigd
onder overweging dat zij per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt
is.
Bij uitspraak van 10 november 2003, kenmerk 01/1148 WAJONG, heeft de
rechtbank Zutphen het beroep van gedaagde tegen het besluit van 20 juli
2001 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van haar
uitspraak nader op het bezwaar van gedaagde te beslissen, zulks met
beslissingen over griffierecht en proceskosten.
Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2006. Voor
appellant is verschenen mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is in persoon
verschenen, bijgestaan door mr. J.J. van der Woude, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Oost Nederland te
Zutphen.
II. MOTIVERING
Aangezien de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden -
correct - zijn vermeld in de aangevallen uitspraak, verwijst de Raad
daarnaar.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit
vernietigd wegens ondeugdelijke motivering, omdat het bij de aan de
zogeheten afschatting ten grondslag gelegde functies uitsluitend gaat om
voltijdse functies waarvoor gedaagde volgens de door haar (de rechtbank)
als deskundige ingeschakelde bedrijfs- en verzekeringsarts
drs. ing. A. Wiersma niet geschikt is. Anders dan de verzekeringsarts M.E.
Bijleveld op 12 september 2000 en de bezwaarverzekeringsarts J.P.M.
Joosten op 2 juli 2001 is deze deskundige in zijn rapport van 21 januari
2003 gekomen tot de conclusie dat de door gedaagde gemelde, in de loop
van de dag afnemende belastbaarheid als gevolg van de dan optredende
vermoeidheid door de voortdurend nodige concentratie zeker aannemelijk
is en dat gedaagde maximaal 4 uur per dag (maximaal 20 uur per week)
voor arbeid belastbaar is te achten. Daarbij is Wiersma niet alleen
uitgegaan van de slechts gedeeltelijk met - door veelvuldig dragen
buitenoorontstekingen veroorzakende - gehoorapparaten te compenseren
aangeboren dubbelzijdige gehoorstoornis, maar met name ook van enige bij
die handicap passende psychomentale retardatie dan wel
ontwikkelingsstoornis. De rechtbank heeft in het commentaar van de
bezwaarverzekeringsarts Joosten van 6 februari 2003 op de bevindingen
van Wiersma geen aanleiding gezien de conclusie van Wiersma niet te
volgen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat weliswaar Wiersma is
gekomen tot een urenbeperking op grond van de problemen die gedaagde
heeft met communicatie, omdat die haar vermoeit, alsook met lawaai, maar
de aan gedaagde voorgehouden functies een minimum aan mondelinge
communicatie vragen, terwijl in die functies geen lawaai voorkomt, zodat
voor die functies geen urenbeperking behoeft te gelden. Appellant staat
dan ook op het standpunt dat de aan gedaagde voorgehouden voltijdse
functies passend zijn en dat zij met de vervulling van die functies meer
dan haar zogeheten maatmaninkomen kan verdienen, zodat zij minder dan
25% arbeidsongeschikt is.
De Raad overweegt als volgt.
In s Raads vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel
van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige
volgt, tenzij er sprake is van (bijzondere) omstandigheden die een
uitzondering op deze regel rechtvaardigen.
Naar het oordeel van de Raad doen zich zodanige omstandigheden in dit
geval niet voor. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat Wiersma
bij zijn onderzoek de beschikking heeft gehad over alle medische (en
andere) stukken waarover ook appellant in het kader van de procedure in
eerste aanleg tot dan de beschikking had en daarnaast gedaagde zelf
gedurende ongeveer 2 uur heeft gesproken (lichamelijk onderzoek is
achterwege gelaten, omdat zon onderzoek geen toegevoegde waarde zou
hebben gehad). Het verschil in inzicht tussen Wiersma en Joosten is
toegespitst op de door Wiersma getrokken conclusie dat gedaagde in
belastbaarheid is beperkt tot 4 uur per dag gedurende 5 dagen per week.
In zijn rapport heeft Wiersma melding gemaakt van de mededeling van
gedaagde dat zij sedert oktober 2001 gedurende 20 uur per week op 5
dagen van 08.30 - 12.30 uur werkzaam is bij een bedrijf te Varsseveld in
enigermate beschutte sfeer en beslist niet gedurende 5 hele dagen per
week zou kunnen werken, omdat dat voor haar veel te vermoeiend zou zijn
vanwege de voortdurende aandacht die het werk van haar eist, het steeds
alert moeten zijn bij de communicatie op het werk en het werken in
omgevingslawaai. Uit dat rapport is evenwel niet de conclusie te trekken
dat Wiersma zich uitsluitend of voornamelijk heeft laten leiden door die
reeds enige tijd bestaande en bestendige werksituatie en/of de
mededelingen van gedaagde over haar persoonlijke ervaringen in die
werksituatie en na 12.30 uur op die werkdagen. Met hetgeen Wiersma heeft
aangevoerd heeft hij genoegzaam zijn conclusie onderbouwd.
Gelet daarop is niet staande te houden dat gedaagde per 26 april 2001 in
staat was te achten tot volledige vervulling van de (3) voltijdse
functies waarop de schatting is gebaseerd. Deze schatting ontbeert
derhalve een deugdelijke grondslag. Het bestreden besluit is terecht
alsook op goede gronden vernietigd.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Aangezien er termen aanwezig zijn om appellant te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep (begroot op 644,-- voor
verleende rechtsbijstand en 25,30 aan reiskosten, totaal
669,30), beslist de Raad als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag ter grootte van 669,30 aan gedaagde te betalen door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan 644,-- te
betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari
2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|