|
Uitspraak
03/3555 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Arnhem
op 11 juni 2003 tussen partijen onder nummer 02/1411 Wajong gewezen
uitspraak. Bij brief van 8 oktober 2004 heeft hij onder meer het verslag
van een in april 2004 ten aanzien van appellant gehouden
neuro-psychologisch onderzoek en een beschikking van 7 juni 2004 dat hij
behoort tot de doelgroep van de Wet Sociale Werkvoorziening overgelegd.
Gedaagde heeft desgevraagd op 26 augustus 2005 een nader stuk
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 januari 2006, waar
namens appellant is verschenen mr. M.K. Jansen, adviseur sociale
zekerheid bij De Groot Heupner B.V. te Wijchen, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 2 september 1998 heeft gedaagde geweigerd appellant een
uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, omdat de mate van zijn
arbeidsongeschiktheid op zijn 18e verjaardag op 22 januari 1999 minder
dan 25% bedroeg. Daaraan lag, kort gezegd, ten grondslag dat appellant
ondanks de voor hem uit ziekte of gebrek voortvloeiende
arbeidsbeperkingen in staat is tot het verrichten van arbeid in het
vrije bedrijf waarmee hij ten minste 75% van het wettelijk minimumloon
kan verdienen. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
Vanaf begin 1999 is appellant vervolgens door het arbeidsbureau en,
later, Kliq intensief begeleid bij scholing en het verrichten van
werkzaamheden. In dat verband heeft appellant een opleiding gevolgd aan
de Tuinbouw Praktijkschool Werkenrode. Appellant toonde zich daarbij
zeer gemotiveerd en een serieuze werker. Desondanks ontstonden tijdens
werkstages problemen; appellant werkte zeer rechtlijnig en bleek het
vermogen om zich aan te passen aan de situatie te missen. Een opdracht
om papier te prikken vervulde hij goed, maar als hij daarbij iets
bijzonders tegen kwam als een stuk hout of een oude autoband, dan wist
hij het niet meer. Zijn prestaties waren daardoor wisselend en hij
behoefde voortdurende begeleiding. Daarbij bleek appellant zich
nauwelijks bewust van de indruk die hij daarbij op anderen maakt en niet
doordrongen dat er zaken mis dreigden te lopen. Doorgaans was men
tevreden over zijn inzet en prestaties, maar zijn gebrek aan inzicht
speelde hem, ook in de omgang met collega’s, parten.
Vanaf 1 mei 2001 is appellant werkzaamheden gaan verrichten als
campingmedewerker. Ten behoeve van deze werkzaamheden is loondispensatie
verleend. Tevens is een plaatsingsbudget toegekend en is aan appellant
(een vergoeding voor) een jobcoach toegewezen. De hierop betrekking
hebbende gegevens en periodieke verslagen van de begeleiding bevinden
zich in het dossier. Op 23 mei 2001 is een arbeidskundig verslag
opgesteld met betrekking tot de plaatsing van appellant als
campingmedewerker en de passendheid van die functie en ook hieruit komt
naar voren dat appellant (ook in sociaal opzicht) voortdurende
instructie en controle nodig heeft bij het verrichten van zijn
werkzaamheden. Zijn niveau van functioneren is lager dan de laagste
schaal in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst. De
arbeidsdeskundige beschrijft dat sprake is van tempoverlies en dat
appellant slechts in staat is enkelvoudige taken te verrichten binnen
een duidelijke structuur. Inzicht in de uit te voeren werkzaamheden
ontbreekt. Dit alles leidt de arbeidsdeskundige tot conclusie dat de
beperkingen van appellant groter lijken dan aanvankelijk bij het besluit
van 2 september 1998 was aangenomen.
Al deze gegevens lagen ten grondslag aan het in mei 2001 aan gedaagde
gerichte verzoek om terug te komen van het besluit van 2 september 1998.
Dat verzoek heeft gedaagde bij besluit van 21 december 2001 afgewezen en
het daartegen gerichte bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 20
juni 2002 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat niet is
gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als
bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). De rechtbank heeft gedaagde daarin gevolgd. Bij het besluit van
20 juni 2002 heeft gedaagde tevens geweigerd om appellant een vergoeding
toe te kennen voor de aan de behandeling van het bezwaar verbonden
kosten.
De Raad overweegt het volgende.
Van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen
besluit terug te komen, wordt verlangd dat bij dit verzoek nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die een
dergelijk terugkomen kunnen rechtvaardigen. Indien deze niet worden
vermeld, mag het bestuursorgaan, zoals in artikel 4:6, tweede lid, van
de Awb is bepaald, het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder
verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Anders dan de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat appellant
aan zijn verzoek van mei 2001 nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin ten grondslag heeft gelegd.
De na het besluit van 2 september 1998 in gang gezette, jarenlange,
intensieve en gedegen gedocumenteerde begeleiding van appellant bij zijn
scholing en (het vinden van) werk door daartoe geëigende instellingen
heeft de arbeidsdeskundige immers aanleiding gegeven tot de door hem
geformuleerde ernstige twijfel aan de geschiktheid van appellant voor
werkzaamheden in het vrije bedrijf, welke geschiktheid destijds de
dragende overweging vormde voor het besluit van 2 september 1998.
Het bestreden besluit is zodoende in strijd met artikel 7:12, eerste
lid, van de Awb.
De aangevochten uitspraak dient daarom te worden vernietigd. De Raad zal
het inleidende beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit
vernietigen en gedaagde opdragen een nieuw besluit te nemen op het tegen
het besluit van 21 december 2001 gerichte bezwaar van appellant.
Tevens ziet de Raad aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten
van het geding in beide instanties, wegens de aan appellant verleende
rechtsbijstand begroot op € 1.288,--.
Appellant heeft tevens gevraagd om gedaagde te veroordelen tot
vergoeding van de door hem geleden schade.
Voor zover dat verzoek ziet op de wettelijke rente over een eventuele
nabetaling van Wajong-uitkering, kan op dat verzoek niet worden beslist,
nu thans niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre gedaagde tot de
(na)betaling
van uitkering zal zijn gehouden.
Voor zover het verzoek tot vergoeding van schade ziet op de door
appellant gemaakte kosten voor de behandeling van het bezwaar moet dat
verzoek worden afgewezen. Ingevolge artikel III van de Wet kosten
bestuurlijke voorprocedures, Stb. 2002, 55, blijft artikel 8:75 van de
Awb, zoals dit luidde voor 12 maart 2002, van toepassing, indien het
besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt voor die datum is genomen. Dat
is hier het geval, zodat de sedertdien bestaande wettelijke voorziening
inzake veroordeling tot vergoeding van kosten van bezwaar hier niet van
toepassing is. Voor de door appellant gevorderde vergoeding van kosten
die hij in de bezwaarfase heeft gemaakt, geldt ingevolge vaste
rechtspraak van de Raad dat deze in beginsel voor rekening van de
betrokkene blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding -
op grond van artikel 8:73 van de Awb - in aanmerking komen. Naar het
oordeel van de Raad is hier van een dergelijk bijzonder geval geen
sprake. Met name valt niet in te zien dat de primaire besluitvorming
dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd zou moeten worden dat
gedaagde tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beslist
op het tegen het besluit van 21 december 2001 gerichte bezwaar;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding ad € 1.288,-, te
betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen tot
vergoeding van het betaalde griffierecht van € 87,--
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W.
Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
|
|