|
Uitspraak
04/297 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. R.J. de Boer, advocaat te Coevorden, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 4
december 2003, nummer 03/157 WAJONG.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Gedaagde heeft op 12 oktober 2003 vragen beantwoord en nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 januari 2006, waar
voor appellante is verschenen mr. R.J. de Boer en waar namens gedaagde
is verschenen mr. B.P. Belopavlovic, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door
partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij
zijn oordeelsvorming.
De Raad volstaat hier met het volgende.
Appellante, geboren op 8 mei 1982, heeft op 13 augustus 1998, toen zij
16 jaar oud was, een bromfietsongeluk gehad. Er was sprake van een
gebroken vinger en een hersenschudding. Op 8 juni 2002 heeft appellante
gedaagde verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong). Bij besluit van 30 september 2002 heeft gedaagde aan
appellante per 8 mei 2000 (de dag waarop zij 18 jaar werd) uitkering
ingevolge de Wajong geweigerd onder de overweging dat zij op en na die
datum niet arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van die wet. Bij
zijn besluit van 17 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 september
2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. In de
aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding
bestaat voor het oordeel dat gedaagde de medische beperkingen van
appellante onvoldoende of naar een te lichte mate heeft vastgesteld. De
rechtbank heeft voorts geconcludeerd dat appellante in staat moet worden
geacht de geselecteerde functies te kunnen verrichten op de in geding
zijnde datum van 8 mei 2000.
Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van die uitspraak
bestreden. Zij heeft in hoofdzaak aangevoerd dat haar medische
beperkingen zijn onderschat en dat nader medisch onderzoek had moeten
worden verricht omdat er naast een whiplashtrauma ook sprake is van
fibromyalgie. Vanwege haar lichamelijke beperkingen acht appellante zich
niet in staat 8 uur achtereen te werken en zij acht de geduide functies
in fysiek opzicht te belastend.
Gedaagde heeft in de loop van de procedure in hoger beroep de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 mei 2000 opnieuw beoordeeld
aan de hand van het op die datum in gebruik zijnde Functie Informatie
Systeem (FIS). Blijkens de brief van gedaagde van 12 oktober 2005 met de
daaraan ten grondslag liggende rapportages van 17 maart 2005 en 11
oktober 2005 van de bezwaarverzekeringsgeneeskundige, respectievelijk de
bezwaararbeidsdeskundige heeft deze herbeoordeling niet tot een andere
uitkomst geleid, zij het dat een aantal van de eerder geselecteerde
functies is vervallen en dat een aantal andere functies daarvoor in de
plaats is gesteld. Om deze reden handhaaft gedaagde het bestreden
besluit.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden,
waarbij de Raad constateert dat het geschil tussen partijen zich
toespitst op de medische kant van de zaak. Hij overweegt in dit verband
het volgende.
Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding te veronderstellen dat
gedaagde de belastbaarheid van appellante op 8 mei 2000 heeft overschat.
De behandelend reumatoloog van appellante, H.G. Lim, heeft blijkens zijn
brief van 13 maart 2003 weliswaar de diagnose fibromyalgie gesteld, maar
uit deze brief valt niet op te maken of de fibromyalgie op 8 mei 2000 al
bestond en evenmin of als gevolg hiervan medische beperkingen bij
appellante zijn opgetreden en welke dat zouden zijn. Appellante heeft
haar stelling dat in voldoende mate causaliteit bestaat tussen het
bromfietsongeval enerzijds en de later geconstateerde fibromyalgie
anderzijds niet met medische gegevens aannemelijk kunnen maken.
Hetzelfde moet worden gezegd van haar stelling dat een urenbeperking
noodzakelijk is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de
bezwaarverzekeringsarts alle relevante en voorhanden zijnde medische
aspecten bij de beoordeling heeft betrokken en in voldoende mate
rekening heeft gehouden met de visie van de behandelend artsen van
appellante.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante medegedeeld
dat zij geen opmerkingen heeft naar aanleiding van de schatting aan de
hand van het FIS. De Raad merkt in dit verband nog op dat naar vaste
rechtspraak in het onderhavige geval, waarbij het niet gaat om een
besluit tot herziening of intrekking van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering maar om een toekenning daarvan bij einde
wachttijd, er geen reden is om de tijdens het geding in hoger beroep
genoemde functies ter zijde te laten.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak
moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr.
M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 15 maart 2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) P. van der Wal.
|
|