|
Uitspraak
03/5148 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland, appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15
september 2003, nrs. 03/470 en 03/775 Wajong, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft de Raad nog diverse brieven doen toekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 27 januari 2006, waar partijen - gedaagde met voorafgaand bericht
- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sedert 2 september 1988 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100%, aanvankelijk krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en sedert 1 januari 1998 ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In maart
2002 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij in verband met
studieredenen een kamer in Duitsland zal betrekken. Sedertdien verblijft
appellant in Duitsland. Bij brief van 4 juli 2002 is aan appellant
medegedeeld dat besloten is zijn uitkering als gevolg van zijn
voorgenomen vestiging in Duitsland ongewijzigd te laten. Bij brieven van
19 februari 2003 en 3 maart 2003 heeft appellant aan gedaagde verzocht
zijn uitkering te mogen exporteren naar Duitsland. Bij brief van 7 april
2003 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een
beslissing op zijn aanvraag van 19 februari 2003. Vervolgens heeft
appellant bij schrijven van 21 mei 2003 beroep ingesteld bij de
rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn
bezwaarschrift van 7 april 2003. Bij beslissing van 7 augustus 2003
heeft gedaagde besloten dat appellant gedurende een jaar in Duitsland
kan verblijven (niet wonen) met behoud van uitkering. Bij verzoekschrift
van 25 augustus 2003 heeft appellant aan de voorzieningenrechter van de
rechtbank Almelo verzocht om ter zake van het niet tijdig beslissen op
zijn bezwaarschrift van 7 april 2003 een voorlopige voorziening te
treffen.
Bij de aangevallen uitspraak van 15 september 2003 heeft de
voorzieningenrechter het beroep van appellant tegen het met een besluit
gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op zijn
bezwaarschrift van 7 april 2003 gegrond verklaard en dit besluit
vernietigd. Daarbij is gedaagde opgedragen alsnog binnen vier weken na
die uitspraak een beslissing op het bezwaarschrift van appellant van 7
april 2003 te nemen en aan appellant bekend te maken.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij schrijven van 14 oktober 2003
hoger beroep ingesteld. Hierbij heeft appellant onder andere aangevoerd
dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet op al zijn grieven en
verzoeken is ingegaan. Voorts heeft appellant de Raad verzocht zijn zaak
betreffende de export van zijn Wajong-uitkering in de vorm van een
prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie te
Luxemburg.
Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
gegrond verklaard en voorts medegedeeld dat hem op grond van het
vertrouwensbeginsel toestemming wordt verleend met behoud van uitkering
in Duitsland te verblijven tot 15 augustus 2004.
De Raad overweegt als volgt.
Bij de uitspraak van 15 september 2003 heeft de rechtbank het beroep van
appellant tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond verklaard,
het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een
beslissing vernietigd en opdracht gegeven tot het nemen van een
beslissing op bezwaar binnen vier weken na de uitspraak. Niettemin heeft
appellant daartegen hoger beroep ingesteld. De Raad is van oordeel dat
appellant geen in rechte te honoreren belang heeft bij een inhoudelijke
beoordeling van de aangevallen uitspraak nu dit niet tot een gunstiger
resultaat zou kunnen leiden. De Raad heeft hierbij mede in aanmerking
genomen dat de in opdracht van de rechtbank genomen beslissing op
bezwaar binnen de door die rechtbank gestelde termijn van vier weken is
genomen en bekendgemaakt. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger
beroep van appellant wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk wordt
verklaard.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog het volgende op.
Uit de gedingstukken is de Raad gebleken dat gedaagde op 23 juli 2004
het besluit heeft genomen dat de uitkering van appellant ingevolge de
Wajong na 15 augustus 2004 wordt beëindigd. Dit besluit ligt thans nog
ter beoordeling voor bij de rechtbank Amsterdam in afwachting van de
beantwoording van de door die rechtbank en de Centrale Raad van Beroep
aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg
voorgelegde prejudiciële vragen inzake de rechtmatigheid van de
intrekking van de Wajong-uitkering bij verhuizing naar een andere
lidstaat (zie LJN AT3171 en AT9540). De beantwoording van deze vragen
kan ook voor appellants aanspraak op Wajong-uitkering van belang zijn.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Broier
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
|
|