|
Uitspraak
04/44 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door
de rechtbank Maastricht op 19 december 2003 onder nummer AWB 02/1947
WAJONG tussen partijen gegeven uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2006,
waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft in maart 2001 bij gedaagde een aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. Daarbij heeft hij als eerste
arbeidsongeschiktheidsdag 3 december 1971 opgegeven, de dag waarop hij
zeventien jaar werd. Als reden voor zijn aanvraag heeft hij vermeld
psychische klachten te hebben, samenhangend met alcoholproblematiek,
alsmede lichamelijke klachten.
Gedaagdes verzekeringsarts heeft een onderzoek ingesteld, waarvan deel
uitmaakte het inwinnen van informatie bij appellants huisarts en het
doen verrichten van een expertise door de zenuwarts A.M.A. Groot. Een
lichamelijk onderzoek werd niet verricht, daar de psychische
problematiek de boventoon bleek te voeren. Met name op grond van de
bevindingen en conclusies van deze zenuwarts is als diagnose onder meer
gesteld een gemengde persoonlijkheidsstoornis met borderline- en
dwangkenmerken alsmede alcoholafhankelijkheid. Op grond hiervan is
aangenomen dat bij appellant sprake is van langdurig onvermogen tot
persoonlijk en sociaal functioneren, in verband waarmee is afgezien van
het opstellen van een belastbaarheidspatroon. Als eerste dag van de -
aldus aangenomen algehele - arbeidsongeschiktheid is uitgegaan van de
hiervoor genoemde datum 3 december 1971 waarop appellant de
zeventienjarige leeftijd bereikte.
Bij besluit van 11 oktober 2002 heeft gedaagde appellant met ingang van
8 maart 2000, zijnde een jaar voorafgaande aan de aanvraag, in
aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft
gedaagde overwogen dat de uitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar
voor datum aanvraag, dat van deze regel kan worden afgeweken wanneer de
betrokken verzekerde door bijzondere omstandigheden niet eerder kon
aanvragen, maar dat de door appellant desgevraagd opgegeven reden dat
hij de uitkering niet eerder heeft aangevraagd, te weten dat hij pas op
latere datum door personen/instellingen hierop werd gewezen, niet als
zodanige bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt.
Het namens appellant tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar betreft
uitsluitend de ingangsdatum van de uitkering. Gewezen is in dit verband
op eerder, onder meer in het begin van de jaren tachtig, met voor
appellant negatief resultaat plaatsgevonden hebbende
arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. Er is een afschrift overgelegd van
een besluit van 23 december 1982, bij welk besluit gedaagdes
rechtsvoorganger, in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging
voor Overheidsdiensten, ter zake van een gestelde op 1 november 1981 ingetreden arbeidsongeschiktheid heeft geweigerd
appellant met ingang van 31 oktober 1982 in aanmerking te brengen voor
uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat, zo
hij op 1 november 1981 inderdaad arbeidsongeschikt is geworden, die
arbeidsongeschiktheid niet gedurende 52 weken heeft voortbestaan.
Daarbij is aangegeven dat appellant per datum onderzoek 28 september
1982 niet arbeidsongeschikt was bevonden. Appellant is van mening aldus
door gedaagde destijds op het verkeerde been te zijn gezet, hetgeen
volgens appellant een bijzondere omstandigheid oplevert om de uitkering
met een verdere terugwerkende kracht te doen ingaan.
Bij besluit van 20 december 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak
heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Appellant houdt in hoger beroep zijn grieven staande. In het bijzonder
blijft hij bij zijn opvatting dat de ingangsdatum van de hem toegekende
Wajong-uitkering dient te worden gekoppeld aan de eerdere
uitkeringsaanvraag uit 1982. Voorts wijst hij erop dat de (juiste)
diagnose kennelijk heel moeilijk kon worden gesteld. Appellant is van
mening dat (ook) daarin een bijzonder geval is gelegen.
De Raad ziet het hoger beroep van appellant niet slagen.
Met betrekking tot de gestelde aanvraag uit 1982 en het ter zake daarvan
genomen besluit van 23 december 1982, overweegt de Raad het volgende.
De Raad laat in het midden of aannemelijk is te achten dat appellant
destijds inderdaad de zijnerzijds gestelde aanvraag heeft gedaan -
gedaagde heeft in dit verband terecht erop gewezen dat toentertijd ten
aanzien van WAO-verzekerden doorgaans ambtshalve werd beoordeeld of na
ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken aanspraak bestond op
een WAO- en AAW-uitkering - daar moet worden vastgesteld dat hoe dan
ook, als reactie op een aanvraag van appellant dan wel als de uitkomst
van een ambtshalve beoordeling door gedaagde, sprake is geweest van een
afgeronde besluitvorming, welke zijn beslag heeft gekregen in het
hiervoor vermelde besluit van 23 december 1982. Appellant heeft tegen dat besluit destijds, en zulks
blijkens het verslag van de hoorzitting op grond van een welbewuste
keuze, geen rechtsmiddelen aangewend, in verband waarmee dat besluit in
rechte onaantastbaar is geworden.
Aan de gestelde aanvraag voor een AAW- en WAO-uitkering in 1982 kan in
het licht van het bovenstaande niet nogmaals een rechtens relevant te
achten belang toekomen in het kader van het onderhavige verzoek om
toekenning van een uitkering ingevolge de Wajong, noch via de weg dat
laatstbedoelde uitkering geacht zou moeten worden reeds te zijn
aangevraagd in 1982, noch via de weg dat in de aanvraag uit 1982 en de
daarop gevolgde weigering van uitkering ingevolge de AAW en de WAO een
bijzonder geval is gelegen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de
Wajong. Dat de aanspraken van appellant destijds mogelijkerwijs niet
juist door gedaagde zijn beoordeeld en gewaardeerd, zoals appellant een
en andermaal heeft doen stellen, maakt zulks niet anders. Het besluit
uit 1982 kan hoogstens aan de orde komen in het kader van een aan
gedaagde gericht verzoek om van dat besluit terug te komen, maar een
zodanig verzoek is niet gedaan en het bestreden besluit bevat ter zake
daarvan - dan ook - geen beslissing.
De Raad is van oordeel dat ook overigens geen sprake is van een
bijzonder geval als bedoeld in vorengenoemde bepaling, op grond waarvan
gedaagde bevoegd zou zijn de uitkering met een verdere terugwerkende
kracht dan een jaar toe te kennen. De van de zijde van appellant
aangevoerde omstandigheid dat de (juiste) diagnose kennelijk moeilijk
kon worden gesteld levert, wat daar overigens van zij, geen bijzonder
geval op. Doorslaggevend acht de Raad in dit verband dat op grond van de
beschikbare gegevens het ervoor dient te worden gehouden dat appellant
reeds in een vroegtijdig stadium moet hebben begrepen dat zijn
gezondheidssituatie aanzienlijke beperkingen met zich bracht wat betreft
zijn functioneren in het algemeen en wat betreft zijn functioneren in
loonvormende arbeid in het bijzonder. Zoals ook ter hoorzitting door
appellant is aangegeven, was hij zich eind jaren zeventig bewust van
zijn alcoholproblematiek. Naar voorts ook in het in eerste aanleg
ingediende beroepschrift wordt aangegeven, is appellant nooit in staat
geweest tot het langdurig verrichten van inkomensvormende werkzaamheden.
Hij had aldus veel eerder een uitkering kunnen aanvragen.
Naar ook in de aangevallen uitspraak is overwogen, is van de zijde van
appellant in eerste instantie desgevraagd ter verklaring voor de late
aanvraag aangegeven dat hij pas in een laat stadium door personen en/of
instellingen attent is gemaakt op de mogelijkheid een Wajong-uitkering
aan te vragen. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad kan een
dergelijke onbekendheid met de wettelijke mogelijkheden geen bijzonder
geval in vorenbedoelde zin opleveren.
Ten slotte wil de Raad niet nalaten op te merken dat in de aangevallen
uitspraak ten onrechte wordt overwogen dat vermogensderving in de
financiële sfeer een relevante factor vormt bij beantwoording van de
vraag of in een voorliggende situatie sprake is van een bijzonder geval
in de zin van de wet. Volgens vaste rechtspraak komt de financiële
positie van een verzekerde eerst aan de orde in het kader van de wijze
van gebruikmaking van de bevoegdheid om de uitkering met een verdere
terugwerkende kracht dan een jaar te doen ingaan, derhalve nadat in
positieve zin is beantwoord de vraag of sprake is van een bijzonder
geval dat een zodanige bevoegdheid doet ontstaan. Laatstbedoelde vraag
dient door de rechter in volle omvang te worden getoetst, in verband
waarmee de Raad zich eveneens niet kan verenigen met de in de
aangevallen uitspraak opgenomen overweging van de rechtbank dat zij geen
aanleiding heeft om te oordelen dat gedaagde in redelijkheid niet heeft
kunnen weigeren om gebruik te maken van zijn voor bijzondere gevallen
gegeven bevoegdheid om de arbeidsongeschiktheidsuitkering in beginsel
eerder te doen ingaan dan 8 maart 2000.
De aangevallen uitspraak komt, met enige wijziging van de gronden waarop
deze berust, voor bevestiging in aanmerking.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W.
Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P.Mulder
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
|
|