|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/2196 WAJONG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 10 september 2003 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 22 maart 2004 (03/1428
Wajong) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 15 februari 2006,
waar namens appellante haar echtgenoot is verschenen, bijgestaan door
mr. Cornelisse voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1962, heeft op 21 januari 2003 bij gedaagde een
aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wajong.
Bij besluit van 4 maart 2003 is aan appellante een uitkering ingevolge
die wet toegekend met ingang van 21 januari 2002.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante, gericht tegen
de ingangsdatum van die uitkering, ongegrond verklaard.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan, voorzover hier van
belang, de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag,
waarop de aanvraag om toekenning van de uitkering werd ingediend. Voor
bijzondere gevallen kan gedaagde hiervan afwijken.
Het geding spitst zich toe op de vraag of sprake is van een bijzonder
geval in de zin van voormelde bepaling.
De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde
overwegingen.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante in het verleden al bekend was
bij de rechtsvoorgangers van gedaagde met de aanvraag van een
vervoersvoorziening in 1987, de aanvraag van een verhuiskostenvergoeding
in 1988 en de aanvraag van de kosten van woningsanering in 1993. Uit de
hiervan nog beschikbare stukken blijkt dat het destijds ging om
longklachten en dat toen ook nog geen ernstige beperkingen waren
vastgesteld.
Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de rechtsvoorganger
van gedaagde destijds had behoren in te zien dat appellante mogelijk
recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en haar daarop had
dienen te wijzen.
In aanmerking genomen dat appellante in 1993 bekend was met de diagnose
multiple sclerose en toen op de hoogte was van de ernst van haar
gezondheidstoestand, had niets er aan in de weg hoeven staan om toen al
een aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Appellante
heeft weliswaar gesteld dit te hebben gedaan, maar zij heeft haar
standpunt niet met stukken kunnen onderbouwen.
Dit terwijl zich in het dossier nog wel de hiervoor bedoelde gegevens
bevinden met betrekking tot de in het verleden aangevraagde
voorzieningen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van P. van der
Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
|
|