|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/3400 WAJONG en 05/4043 WAJONG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 4 juni 2003, 02/752, en
13 juni 2005, 04/1424 (hierna: aangevallen uitspraken),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand,
hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak van 4 juni 2003.
Mr. G. van Leeuwen, eveneens werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, heeft
namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak
van 13 juni 2005.
Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 11 februari 2005 is het de Raad gebleken dat het
vooronderzoek in de eerste zaak niet volledig is geweest. Het onderzoek
is heropend en de Raad heeft psychiater prof. dr. G.F. Koerselman als
deskundige benoemd.
De rapportage van Koerselman is op 21 november 2005 door de Raad
ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 24
februari 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar
gemachtigde mr. Van Leeuwen, voornoemd, en vergezeld van haar ouders.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda,
werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
Appellante heeft in de periode van 1 oktober 1996 tot en met 22 februari
1999 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) genoten. Per 26 april 2000 heeft zij opnieuw
een Wajong-uitkering ontvangen.
Geding 03/3400 WAJONG
Bij besluit van 24 januari 2001 is appellantes uitkering ingetrokken per
30 juni 2000, omdat zij per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt
in de zin van de Wajong is geacht.
Appellante heeft zich niet met de intrekking van de uitkering kunnen
verenigen omdat ze zich, in verband met rug- en nekklachten en de
ernstige vorm van depressiviteit waaraan zij lijdt, volledig
arbeidsongeschikt acht. Het bezwaar tegen het besluit van 24 januari
2001 is gegrond verklaard in die zin dat de uitkering nader per 30
januari 2001 wordt ingetrokken.
De Raad heeft aanleiding gezien om Koerselman als deskundige te
benoemen.
Koerselman is van mening dat er bij appellante geen sprake is van een
ziekte of gebrek in de zin van de Wajong. Evenmin ziet hij redenen om
aan te nemen dat appellantes belastbaarheid niet juist is vastgesteld of
dat zij de geduide functies niet kan verrichten.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusies van
Koerselman niet juist zijn. Zij heeft een schrijven van de
psycholoog/psychotherapeut drs. M.A.J.M. Schippers-Verleg overgelegd.
Schippers-Verleg geeft daarin in reactie op het rapport van Koerselman
als haar mening dat het voor appellante niet mogelijk is om zonder
begeleiding aan het werk te gaan. Appellante is voorts van mening dat
het onderzoek door Koerselman oppervlakkig is geweest. Appellante
beroept zich op het rapport van psychiater dr. H.N. Sno van december
2003, die appellante veel uitgebreider en intensiever heeft onderzocht
dan Koerselman heeft gedaan. Sno acht ernstige beperkingen in het
sociaal en beroepsmatig functioneren van appellante waarschijnlijk.
De Raad overweegt als volgt.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient in beginsel het oordeel van
de door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke medische
deskundige te worden gevolgd.
In dit geval doen zich geen feiten of omstandigheden voor die grond
vormen om van deze lijn af te wijken. Daartoe heeft de Raad in
aanmerking genomen dat Koerselman een uitgebreide anamnese heeft
afgenomen en de zich in het dossier bevindende stukken heeft bestudeerd.
Zijn eigen bevindingen heeft hij vergeleken met die van de psychiaters
Sno,
W. Verbeeck van september 2001 en J.A.M. Belgers ook van september 2001.
De Raad is van oordeel dat het rapport van Koerselman zorgvuldig,
consistent en uitgebreid is gemotiveerd. De door de gemachtigde van
appellante overgelegde stukken doen hier niet aan af.
De Raad volgt het oordeel van Koerselman dan ook.
Gezien het bovenstaande slaagt het hoger beroep tegen de aangevallen
uitspraak van 4 juni 2003 niet, zodat die uitspraak dient te worden bevestigd.
Geding 05/4043 WAJONG
Op 14 juli 2003 heeft appellante het Uwv verzocht om een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid.
Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard het
bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2003, waarbij
aan appellante een Wajong-uitkering geweigerd is.
De rechtbank Arnhem heeft het beroep tegen het besluit van 8 juni 2004
gegrond verklaard onder overweging dat de aanvraag van appellante op een
onjuiste grondslag is afgewezen, maar appellante geen recht heeft op een
uitkering op grond van Wajong. De rechtsgevolgen van het besluit zijn in
stand gelaten.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank voorzover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.
De Raad overweegt dat appellante ook dit hoger beroep heeft onderbouwd
met een rapportage van Sno, doch dat er, gelet op de rapportage van
Koerselman, ook in dit geding geen aanleiding is om het medisch oordeel
van het Uwv voor onjuist te houden. Uit de rapportage van Koerselman,
hoewel die rapportage primair ziet op de situatie per 30 juni 2001, kan,
nu Koerselman zich ook heeft uitgelaten over de periode gelegen tussen
30 januari 2001 en de datum van het uitbrengen van het rapport (17
november 2005), worden opgemaakt dat zijn visie op de datum hier in
geding niet afwijkt van zijn visie per 30 januari 2001 in de andere zaak.
Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep tegen de aangevallen
uitspraak van 13 juni 2005 evenmin, zodat die uitspraak (voorzover
aangevochten) evenzeer dient te worden bevestigd.
De Raad acht in geen van de beide zaken termen aanwezig om toepassing te
geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H.
Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 april
2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.P. Mulder.
|
|