|
Uitspraak
voorzieningenrechter 06/1346 WAJONG-VV
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om
voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2004, nr.
04/280 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006.
Verzoeker is in persoon verschenen. Het Uwv, ambtshalve opgeroepen,
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Oltmans.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de
rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in
artikel 8:86 van die wet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Voorzover de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening
meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het
oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het
niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
Verzoeker heeft verzocht om een voorlopige voorziening, strekkende tot
het spoedig verkrijgen van een nader besluit, zoals is bepaald in de
aangevallen uitspraak.
Ter zitting heeft het Uwv aangegeven binnen twee weken een nadere
beslissing te zullen nemen.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en
hetgeen partijen verder ter zitting naar voren hebben gebracht een
voldoende spoedeisend belang.
Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter, na afweging van
de belangen, aanleiding de gevraagde voorziening te treffen, in die zin
dat het Uwv wordt opgedragen binnen twee weken, ter uitvoering van de
aangevallen uitspraak, een nader besluit te nemen.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht toe;
Draagt het Uwv op om binnen twee weken na datum van deze uitspraak ter
uitvoering van de aangevallen uitspraak een nadere beslissing op bezwaar
te nemen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
verzoeker het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 19 april 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|