|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/5594 WAJONG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 september 2004, 03/1118
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.M.M. Dingemans, advocaat te Ulvenhout,
hoger beroep ingesteld en in dat kader tevens twee medische rapporten
overgelegd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd een
reactie van de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff van 11 november
2004 op het hoger beroep.
Het Uwv heeft bij brief van 27 april 2006, met bijlage, vragen van de
Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2006.
De gemachtigde van appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die in de zomer van 1997 zijn opleiding tot tweedegraads
leraar wiskunde met een diploma heeft afgerond, heeft bij het Uwv een op
6 september 2002 gedagtekende aanvraag ingediend om een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft hij in verband met chronische vermoeidheid als
eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 september 1997 aangegeven. De
verzekeringsarts H.J.M. Meeren heeft blijkens zijn rapport van 21
november 2002 bij oriënterend lichamelijk onderzoek geen bijzonderheden
gevonden en heeft uitgebreid de bevindingen van het psychisch onderzoek
weergegeven. Voorts vermeldde Meeren dat bij onderzoek door een
internist en een neuroloog geen duidelijke verklaringen zijn gevonden
voor de extreme moeheidsverschijnselen van appellant en dat de diagnose
M.E. is gesteld. Daarnaast had Meeren blijkens een nader rapport van 3
januari 2003 de beschikking over informatie van het revalidatiecentrum
Breda van 31 oktober 2000. Het lichamelijk onderzoek door een
revalidatiearts kwam volgens deze informatie tot vrijwel dezelfde
bevindingen als Meeren. In het afrondende rapport van dit centrum van 22
april 2002 in een brief aan Meeren van 10 december 2002 werd ook
aandacht besteed aan de psychische component van de klachten van
appellant en in dat kader vermeld dat er mogelijk een risico is op een
(gemaskeerde) depressie. Meeren concludeerde dat er op basis van de
vastgestelde feiten en de consistentie een verminderde belastbaarheid
aannemelijk is bij activiteiten waarbij een sterk en duidelijk beroep op
het leveren van een fysieke inspanning wordt gedaan en achtte appellant
objectief in staat tot lichte activiteiten in een niet al te hoog tempo
en tot werkzaamheden die psychisch niet te stresserend zijn. Een en
ander gaf Meeren aanleiding tot het formuleren van een aantal
beperkingen in rubriek IV van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML)
met het opschrift “Dynamische handelingen”. Op basis hiervan vond
bij het arbeidskundig onderzoek functieduiding plaats met behulp van het
Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en werd het verlies aan
verdienvermogen berekend op 17,92%. Vervolgens nam het Uwv het primaire
besluit van 12 december 2002, waarbij aan appellant een Wajong-
uitkering werd geweigerd omdat hij op en na 31 augustus 1998 minder dan
25% arbeidsongeschikt was.
In de bezwaarprocedure onderschreef de bezwaarverzekeringsarts M.E.J.
van Hooff het onderzoek van Meeren. Volgens Van Hooff is de
persoonlijkheidsstructuur, die volgens de revalidatiearts een grote rol
speelt bij de instandhouding van de klachten van appellant, wel een
beperkende factor maar is er geen sprake van psychopathologie in engere
zin. Met deze persoonlijkheid heeft appellant volgens Van Hooff langere
tijd kunnen functioneren zodat er geen sprake is van ziekte en/of
gebrek. Vervolgens handhaafde het Uwv bij zijn besluit van 17 april 2003
het primaire besluit.
In beroep voerde de gemachtigde van appellant aan dat het Uwv de
arbeidsmogelijkheden van appellant heeft overschat, althans onvoldoende
rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant. De gemachtigde
heeft tevens onder andere de door Meeren reeds vermelde informatie van
de appellant behandelend internist en neuroloog overgelegd.
Het Uwv heeft voorts op 1 maart 2004 het rapport van de
bezwaararbeidsdeskundige P. Blom van 20 februari 2004 ingediend. Blom gaf aan dat de uit het CBBS
geduide functies op de datum in geding ook in het toen gebruikte
FIS-systeem voorkwamen. Vervolgens berekende het Uwv in zijn brief van
25 maart 2004 het verlies aan verdienvermogen op 23,5%, waarbij evenwel
weer werd uitgegaan van de functies medewerker klachtenontvangst,
intercedent en baliemedewerker uit het CBBS. Desgevraagd door de
rechtbank vermeldde Van Hooff als verklaring voor het niet opnemen van
beperkingen voor appellant in de FML ten aanzien van het persoonlijk en
sociaal functioneren dat Meeren appellant beperkt achtte ten aanzien van
hoog tempo en stress maar dat er geen sprake was van een psychische
stoornis.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van
het Uwv van 17 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. Naar haar
oordeel moet worden aangenomen dat Meeren en Van Hooff bij appellant
niet te geringe beperkingen hebben vastgesteld. Daarbij wees de
rechtbank op de volgens de vaste jurisprudentie van de Raad ook bij een
beoordeling op grond van de Wajong in aanmerking te nemen medische
maatstaf en achtte zij geen bijzonder geval aanwezig, waarin toch een
objectief medisch verband met ziekte of gebrek kan worden aangenomen,
wanneer geen oorzaak voor de klachten in een lichamelijke of psychische
afwijking kan worden gevonden. Volgens de rechtbank ontbrak daarvoor de
vereiste onder deskundigen bestaande eenduidige, consistente en naar
behoren medisch gemotiveerde opvatting dat ongeschiktheid voldoende
aannemelijk is. De rechtbank onderschreef voorts de arbeidskundige
grondslag van het bestreden besluit.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant met name grieven
geformuleerd tegen de beoordeling door de rechtbank van de medische
grondslag van het bestreden besluit en heeft hij de Raad verzocht een
revalidatiearts als deskundige voor het instellen van een onderzoek te
benoemen.
Het Uwv heeft in zijn verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak
te bevestigen en heeft desgevraagd door de Raad door middel van
overlegging van het rapport van Van Hooff van 27 april 2006 andermaal aangegeven waarom in de FML geen
beperkingen zijn gesteld ten aanzien van het persoonlijk en sociaal
functioneren van appellant. Volgens Van Hooff, die daaromtrent overleg
pleegde met Meeren, mag het werk in het begin niet al te hectisch zijn
vanwege het feit dat appellant nog nooit heeft gewerkt, maar is er geen
sprake van een psychische stoornis.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanleiding ziet om
het ter zitting herhaalde verzoek van de gemachtigde van appellant tot
benoeming van een deskundige revalidatiearts in te willigen. Daarbij
neemt de Raad in aanmerking dat reeds informatie van het
revalidatiecentrum Breda beschikbaar is, welke informatie betrekking
heeft op onder andere vanwege dit centrum verricht lichamelijk en
psychisch onderzoek, alsmede op het door appellant bij dit centrum
doorlopen revalidatietraject.
Anders dan de rechtbank oordeelde, kan naar het oordeel van de Raad
evenwel de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden
besluit in rechte geen stand houden.
Wat betreft de medische grondslag overweegt de Raad daartoe dat naar
zijn oordeel onvoldoende is gemotiveerd waarom ondanks de bevindingen
van Meeren in de FML geen psychische beperkingen zijn opgenomen. In het
licht van de door de rechtbank met juistheid weergegeven medische
beoordelingsmaatstaf van een aanvraag ingevolge de Wajong acht de Raad
daartoe onvoldoende de door Van Hooff in beroep en in hoger beroep
desgevraagd gegeven verklaring dat geen sprake is van een psychische
stoornis. Zoals ook in de jurisprudentie niet is uitgesloten dat ondanks
het ontbreken van lichamelijke afwijkingen niettemin op basis van het
geheel van bevindingen de aanwezigheid van lichamelijke beperkingen bij
het verzekeringsgeneeskundig onderzoek aannemelijk kan worden geacht - hetgeen trouwens in dit geval vanwege het Uwv ook gedaan is
- kan op
vergelijkbare gronden ondanks het ontbreken van een aanwijsbare
psychische stoornis het bestaan van psychische beperkingen aannemelijk
worden geacht. In dit geval is het naar het oordeel van de Raad zelfs
niet zonder meer duidelijk of er in het geheel geen sprake was van een
psychische stoornis. De Raad wijst in dit verband op hetgeen in het
hiervoor genoemde rapport van het revalidatiecentrum Breda van 22 april 2002 ter zake is opgemerkt, dat niet alleen betrekking heeft op
de persoonlijkheidskenmerken van appellant. In dit licht bezien had het
dan ook in de rede gelegen dat bij het verzekeringsgeneeskundig
onderzoek, alvorens te besluiten tot het achterwege laten van het
opnemen van psychische beperkingen in de FML, nader overleg was gepleegd
met het revalidatiecentrum.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft
de gemachtigde van het Uwv ter zitting desgevraagd erkend dat één van
de drie voor de schatting gebruikte functies, namelijk die van
medewerker klachtenontvangst, blijkens het rapport van Blom op de datum
in geding slechts drie, derhalve volgens de jurisprudentie op het ten
tijde van de datum in geding geldende Schattingsbesluit, te weinig
arbeidsplaatsen vertegenwoordigde.
Al het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden
besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat ook de aangevallen uitspraak
niet in stand kan blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.449,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en
in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.449,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en M.C.M. van
Laar en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 1 augustus 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|