|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/1859
WAJONG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 februari 2005, 04/835
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 december 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.W.M. Zegers, advocaat te Edam, hoger beroep
ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Zegers voornoemd. Het Uwv
heeft zich niet doen laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 24 april 2001 is aan appellant kenbaar gemaakt dat hij
geen recht heeft op ziekengeld ingevolgde de Ziektewet omdat hij reeds
bij aanvang van zijn verzekering op 5 februari 2001 arbeidsongeschikt
was.
Op 21 juli 2003 heeft het Uwv een aanvraag inzake de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (hierna: Wajong) van
appellant ontvangen en bij besluit van 23 september 2003 is met ingang
van 21 juli 2002 aan appellant een uitkering ingevolge deze wet
toegekend. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
Appellant is het niet eens met dit besluit omdat de ingangsdatum volgens
hem moet zijn de dag dat hij 18 jaar werd, 16 augustus 2000. Secundair stelt hij zich op het standpunt dat zijn
aanvraag ingevolge de Ziektewet had moeten worden aangemerkt als een
aanvraag in het kader van de Wajong. Volgens hem is er in zijn geval
sprake van bijzondere omstandigheden omdat hij niet op de hoogte was van
de regelgeving en de door hem in de voorafgaande jaren bezochte
instanties niet hebben gewezen op deze mogelijkheid.
Bij besluit van 26 maart 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar
ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is appellant op 5 april 2001 door
een verzekeringsarts geadviseerd om een aanvraag in te dienen in het
kader van de Wajong. Omdat er tevens geen medische of psychiatrische
redenen bestaan waardoor appellant geen uitkering kon aanvragen, is er
volgens het Uwv geen sprake van een bijzondere omstandigheid.
De rechtbank deelt dit standpunt. Uit de eerder door appellant
aangevraagde uitkeringen leidt de rechtbank af dat appellant zelf of met
inschakeling van anderen in staat moet zijn geweest om zich te oriënteren
op mogelijke aanspraken. Daarnaast acht de rechtbank het voldoende
aannemelijk dat appellant op 5 april 2001 is geadviseerd om een
Wajong-uitkering aan te vragen.
In hoger beroep ontkent appellant dat hij door het Uwv op of omstreeks 5
april 2001 is geïnformeerd over het aanvragen van een uitkering
ingevolge de Wajong. Het had volgens appellant op de weg van het Uwv
gelegen om hem hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen.
Het Uwv blijft zich op het standpunt stellen dat de verzekeringsarts ten
tijde van de beoordeling van 5 april 2001 appellant daarvan op de hoogte
heeft gesteld. Dit blijkt volgens het Uwv uit de aantekening op de
medische kaart van 5 april 2001 waarop duidelijk vermeld wordt:
“aanvraag Wajong geadviseerd”. Het enkele feit dat het advies
mondeling is geschied, is volgens het Uwv onvoldoende om een bijzonder
geval aan te nemen als bedoeld in art. 29, tweede lid, van de Wajong.
De Raad oordeelt als volgt.
Volgens artikel 29, eerste lid van de Wajong gaat een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan een
jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die
uitkering voldoet. Niet in geschil is dat appellant vanwege zijn
epilepsie arbeidsongeschikt is te achten in het kader van de Wajong. In
afwijking van het eerste lid kan volgens het tweede lid de ingangsdatum
van de uitkering maximaal 1 jaar voor de aanvraag liggen, tenzij sprake
is van bijzondere gevallen.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat in dit geding geen
sprake is van een bijzonder geval en onderschrijft de daaraan in de
aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Volgens de
rapportage van 26 augustus 2003 van verzekeringsarts A.A.M. Meeuse is er
geen sprake van medische of psychiatrische redenen waarom appellant niet
tijdig een uitkering kon aanvragen. Daarnaast is het volgens de Raad
voldoende aannemelijk dat appellant op 5 april 2001 is geadviseerd om
een Wajong-uitkering aan te vragen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 6 december 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|