|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/5868
WAJONG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank [woonplaats] van 24 september 2004,
03/3006 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 28 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006, waar
appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen
door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en 70% van de grondslag.
Appellant heeft het Uwv bij schrijven van 30 juni 1998 verzocht zijn
uitkering met toepassing van artikel 9 van de Wajong te verhogen, omdat
mogelijk sprake is van een althans voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid, die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt. Het
Uwv heeft bij besluit van 8 januari 2003 de aan appellant toegekende
Wajong-uitkering met ingang van 30 juni 1998 verhoogd tot 85% van de
grondslag.
Appellant is van dit besluit in bezwaar gekomen. Aangevoerd is dat het
Uwv ten onrechte geen verhoging heeft toegekend tot 100% van de
grondslag en dat de verhoging ten onrechte niet is toegekend met ingang
van 19 december 1994, de datum dat hij in aanmerking is gebracht voor
een uitkering krachtens de Wajong. Appellant stelde voorts dat sprake is
van een bijzonder geval waardoor toekenning met een verdere
terugwerkende kracht dan 1 jaar voor de datum aanvraag gerechtvaardigd
is. Appellant is tengevolge van zijn ziektebeeld niet eerder in staat
geweest een aanvraag in te dienen, bovendien is sprake van financiële
hardheid.
Bij besluit op bezwaar van 26 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit)
heeft het Uwv geoordeeld dat het uitkeringspercentage van appellant
terecht is vastgesteld op 85% van de grondslag, omdat appellant kort
gezegd geregelde oppassing en verzorging volgens de ruime uitleg van
deze begrippen nodig heeft. Van geregelde oppassing van een persoon in
de ruime zin is op grond van het beleid van het Uwv sprake als deze door
de dag heen geregeld aanwijzingen van derden nodig heeft, maar hij, na
een handreiking, het weer enige tijd zonder aanwijzingen kan stellen.
Van geregelde verzorging van een persoon in ruimere zin is sprake als
deze door de dag heen vanwege zijn gezondheid geregeld de aandacht en
verzorging van een ander nodig heeft bij enige dagelijks terugkerende
levensverrichtingen. Bij geregelde oppassing en verzorging volgens de
beperkte uitleg (recht gevend op een verhoging tot 100% van de
grondslag) is het toezicht van derden doorlopend en is er sprake van
verzorging bij alle of nagenoeg alle terugkerende levensverrichtingen.
Nu appellant, die nog bij zijn ouders woont, alleen hulp en toezicht
nodig heeft bij koken, boodschappen doen, verzorging van de kleding en
ten aanzien van financiële zaken, en voorts enig dagelijks toezicht, is
het uitkeringspercentage 85% van de grondslag.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen de
ingangsdatum van de herziening van de uitkering gegrond verklaard en
geoordeeld dat de herziening van het uitkeringspercentage dient te
worden gesteld op 30 juni 1997. Het Uwv is niet gebleken van een
bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong,
dat toekenning per een eerdere datum rechtvaardigt, nu appellant vanaf
eind 1995/begin 1996 reeds in staat werd geacht om een aanvraag om
verhoging van zijn uitkering in te dienen.
De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven en het beroep
van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar aangevoerde grieven - in essentie
- herhaald.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde in geding ten
gevolge van paranoïde schizofrenie verkeerde in een althans voorlopig
blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en
verzorging nodig maakt. In geschil is wel of deze toestand een ophoging
van appellants uitkering tot 85% van de grondslag rechtvaardigt, zoals
het Uwv heeft aangenomen, dan wel tot 100% zoals door appellant wordt
aangevoerd. Voorts is tussen partijen in geschil de ingangsdatum van de
herziening van de uitkering.
In artikel 9 van de Wajong is, voor zover hier van belang, bepaald dat
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt verhoogd tot ten hoogste
zijn grondslag, indien de jonggehandicapte verkeert in een althans
voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, die geregeld
oppassing en verzorging nodig maakt, voor de duur van die
hulpbehoevendheid.
Het Uwv heeft ter zake van de uitleg van de in deze bepaling voorkomende
begrippen ‘geregelde verzorging’ en ‘oppassing’ en de daaraan
gekoppelde mate van verhoging van de uitkering beleid vastgesteld, welk
beleid is gebaseerd op indeling in twee categorieën, namelijk een
verhoging tot 85% van de grondslag of tot 100% van de grondslag. Van dit
beleid heeft de Raad meer dan eens geoordeeld dat het de rechterlijke
toetsing kan doorstaan.
Onder geregelde verzorging moet volgens dat beleid worden verstaan hulp
bij alle, althans de meeste (verhoging tot 100%) of een aantal
(verhoging tot 85%) van de essentiële en steeds terugkerende dagelijkse
levensverrichtingen, zoals onder meer wassen, aan- en uitkleden en
toiletgang. Van geregelde oppassing recht gevend tot een verhoging van
100% van de grondslag is sprake indien er een noodzaak is om
belanghebbende min of meer constant onder toezicht te houden, teneinde
bijvoorbeeld te voorkomen dat hij zichzelf of anderen schade zou
berokkenen. In het geval volstaan kan worden met geregelde handreikingen
door derden is sprake van een verhoging tot 85% van de grondslag.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft
besloten appellants uitkering niet tot 100% van de grondslag te
verhogen, maar tot 85% daarvan.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij zijn ouders woont, waar
hij een zolderetage deelt met zijn broer, en dat hij geen hulp nodig
heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende
levensverrichtingen, zoals aankleden, douchen, toiletgang,
maar dat hij wel hulp en toezicht nodig heeft bij koken, boodschappen
doen, financiële zaken en het verzorgen van de kleding. Appellant heeft
daarnaast maar enig toezicht nodig in de vorm van aansporing en controle
en niet min of meer continue oppassing. Ook geniet appellant geen oppas
en verzorging in een beduidende omvang uit hoofde van een andere
voorziening. Hiermee voldoet appellant duidelijk niet aan de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor een verhoging van het
uitkeringspercentage tot 100% van de grondslag. De Raad merkt in dit
verband nog op dat uit de door appellant in hoger beroep wederom in
geding gebrachte verklaring van de woningdienst [woonplaats] van 10 januari 2000, waarin wordt opgemerkt dat ten zeerste getwijfeld wordt
aan de haalbaarheid van zelfstandig wonen en het welslagen van
zelfstandig functioneren, niet blijkt dat appellant continue oppassing
nodig heeft of hulp bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks
terugkerende levensverrichtingen. De Raad is niet gebleken van
bijzondere omstandigheden die het Uwv aanleiding zouden moeten geven om
ten gunste van appellant af te wijken van het beleid.
Wat betreft de ingangsdatum van de herziening van appellants uitkering
onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank, die erop
neerkomen dat het Uwv ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid juncto
artikel 29, tweede lid, van de Wajong de uitkering terecht met ingang
van 30 juni 1997 heeft toegekend, zijnde één jaar voor de datum waarop
de aanvraag tot verhoging door appellant werd gedaan. De Raad is niet
gebleken van een bijzonder geval dat toekenning van de uitkering per een
eerdere datum rechtvaardigt. De omstandigheid dat appellant lijdt aan
paranoïde schizofrenie, kan niet als zodanig worden aangemerkt nu deze
appellant niet heeft belet op 29 december 1995 een uitkering ingevolge
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet aan te vragen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J.
Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november
2006.
(get.)
K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.
|
|