|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1288
WAJONG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats
Arnhem, van 11 januari 2005, 04/2291 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. de Miranda, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2007.
Appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. De Miranda, voornoemd. Het
Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant, geboren [in] 1960, heeft als gevolg van een trauma in 1973
zijn rechteroog verloren en heeft een prothese. Vanaf 1986 kreeg hij
geleidelijk door glaucoom een slechtere visus links. Op dat moment
woonde hij in Suriname. In juli 1990 is appellant voor behandeling naar
Nederland verhuisd. Tijdens de zomer van 1997 kreeg hij paranoïde
wanen. Bij formulier, gedagtekend 3 september 2002, heeft appellant een
aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. Namens het
Uwv heeft de verzekeringsarts N. Blokland appellant onderzocht en wat de
visuele beperking betreft de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair
vastgesteld op 1 januari 1990 en wat de overige beperkingen betreft
arbitrair op 1 juli 1997. Bij besluit van 14 januari 2003 heeft het Uwv
de gevraagde uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang
van 1 januari 1990 geweigerd om reden dat appellant op die datum niet
aan de wettelijke entree-eisen voldeed. Appellant heeft tegen die
beslissing bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarschriftprocedure
heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer na bestudering van de
dossiergegevens in zijn rapportage van 11 juni 2003 de eerste
arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair nader bepaald op 1 januari 1973.
Appellant verbleef toen in Suriname. Cramer heeft bij zijn rapportage
een drietal Functionele Mogelijkheden Lijsten gevoegd, betrekking
hebbende op de data 1 januari 1973, 1 januari 1990 en 1 juli 1997. Bij
besluit van 19 juni 2003 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv,
met wijziging van de motivering van het primaire besluit, het bezwaar
ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit 1 heeft appellant
beroep ingesteld bij de rechtbank. Hangende deze procedure heeft het Uwv
op 15 september 2003 het bestreden besluit 1 ingetrokken en een nieuwe
beslissing op bezwaar (hierna: bestreden besluit 2) genomen, houdende
wederom ongegrondverklaring van het bezwaar, onder overweging dat de
mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 september
1978 minder bedroeg dan 25%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het
bestreden besluit 2 ongegrond. Zij heeft, gelet op de beschikbare
medische gegevens, geen redenen voor twijfel aan de juistheid van de
door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant op de in geding
zijnde datum 1 september 1978. De rechtbank oordeelt dat appellant op
die datum in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in
overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid en dat de
belasting in de geduide functies appellants belastbaarheid, zoals
vastgelegd in de desbetreffende Functionele Mogelijkheden Lijst, niet
overschrijdt. Onder verwijzing naar `s Raads uitspraak van 22 oktober
1997 (LJN ZB7365) overweegt de rechtbank dat de
bezwaararbeidsdeskundige voor de onderhavige schatting gebruik heeft
mogen maken van de in het Functie Informatie Systeem, als opvolger van
de in 1978 gehanteerde zogenoemde Arbeids Complexen Documentatie,
voorkomende functies. Overigens hebben de geduide functies volgens de
rechtbank een dusdanig karakter dat inderdaad aannemelijk is dat zij in
1978 in deze vorm bestonden, zoals is gesteld door de
bezwaararbeidsdeskundige.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank de
visusproblemen van appellant heeft onderschat. Het gemis van het
rechteroog had volgens appellant onder meer moeten leiden tot algehele
beperking voor arbeid in riskante situaties. Nader onderzoek naar de
geduide functies pompbediende en veilingmedewerker was volgens appellant
noodzakelijk geweest.
De Raad overweegt als volgt.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer `s Raads uitspraak
van 23 december 1996 (LJN ZB6639) dienen aanspraken van de verzekerde in
beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht
was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft.
Ten aanzien van de weigering appellant een uitkering ingevolge de Wajong
vanwege op 1 september 1978 bestaande arbeidsongeschiktheid toe te kennen overweegt
de Raad in de eerste plaats dat deze weigering, gelet op de van
toepassing zijnde regelgeving op de datum waarop die aanspraak
betrekking heeft, inhoudelijk gezien, beoordeeld dient te worden aan de
hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW),
zoals deze luidden op de datum in geding.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling
destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die
ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat
is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en
die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid
kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het
laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te
verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van
dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid
gewoonlijk verdienen.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW, zoals deze
bepaling destijds luidde, is bepaald dat recht heeft op toekenning van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop
hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken
arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog
arbeidsongeschikt is.
De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd, maar niet is
onderbouwd met nadere gegevens van medische aard, geen aanleiding het
bestreden besluit 2 in medisch opzicht voor onjuist te houden. De Raad
heeft geen aanknopingspunten aan te nemen dat de belastbaarheid van
appellant, zoals blijkend uit de door de bezwaarverzekeringsarts Cramer
per 1 januari 1973 opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst, door het
Uwv is overschat. De Raad acht daarnaast niet aan twijfel onderhevig dat
deze Functionele Mogelijkheden Lijst ook gold op de in geding zijnde
datum 1 september 1978. Daartoe heeft de Raad in het bijzonder laten
wegen dat appellant, blijkens de gedingstukken, op die datum juist zijn
MAVO-opleiding had voltooid en daarna nog het HAVO-diploma heeft
behaald. Zijn studie agologie maakte hij niet af. In Suriname heeft hij
gewerkt als reclasseringsambtenaar en als medewerker in een
bloemisterij. Reeds hieruit volgt naar het oordeel van de Raad dat
appellant op de datum in geding - met op dat moment als enige handicap
het gemis van een oog - niet als arbeidsongeschikt in de zin van de AAW,
zoals die wet destijds luidde, kan worden beschouwd.
De Raad ziet in hetgeen appellant, wat de arbeidskundige kant van de
schatting betreft, naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel
dat de geduide functies, gelet op appellants eenogigheid, niet passend
zijn te achten.
Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant
een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Het Uwv heeft zich
daarbij gebaseerd op de bepalingen uit de Wajong. Echter, gelet op het
feit dat de Wajong eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking is
getreden had het Uwv de aanvraag moeten beoordelen aan de hand van de
AAW. Aangezien het, inhoudelijk gezien, in beide wetten om nagenoeg
gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het bestreden besluit 2
als een weigering een uitkering met toepassing van de met ingang van die
datum ingetrokken AAW toe te kennen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J.
Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart
2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M. Gunter.
|
|