|
Uitspraak
03/2431 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 4 juli 2000 heeft appellant de uitkering van gedaagde
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%, met ingang van 1 september 2000 herzien en nader vastgesteld
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Appellant heeft het tegen dit besluit door gedaagde gemaakte bezwaar bij
besluit van 2 november 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het door mr. K. Tijsterman, advocaat te
Uithoorn, namens gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 2
november 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 10 april
2003, reg.nr. AWB 00/5346 WAO, gegrond verklaard, het bestreden besluit
vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van
gedaagde te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank
heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan gedaagde van
griffierecht en proceskosten.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen
deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
De gemachtigde van gedaagde heeft van verweer gediend.
De gemachtigde van gedaagde heeft bij brief van 16 april 2004 verzocht
om versnelde behandeling, waarop vanwege de Raad bij brief van 14 mei
2004 is meegedeeld dat daarvoor geen termen aanwezig zijn geacht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 januari 2005, waar
voor appellant zijn gemachtigde is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. N. Strikwerda, werkzaam bij het UWV.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat hij in het in rubriek I van deze uitspraak
vermelde verzoek van de gemachtigde van gedaagde om de zaak met
toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
verbinding met artikel 21 van de Beroepswet versneld te behandelen,
zoals aan die gemachtigde reeds op 14 mei 2004 is meegedeeld, geen
aanleiding heeft gezien tot een zodanige behandeling over te gaan. Het
door de gemachtigde in dit verzoek gestelde financieel nadeel is niet
nader toegelicht, zodat in dit verzoek reeds daarom geen steun kan
worden gevonden voor gebruikmaking door de Raad van zijn bevoegdheid tot
versnelde behandeling.
Gedaagde was werkzaam als lasser/metaalbewerker toen hij op 9 december
1997 uitviel met surmenageklachten. Bij besluit van 22 december 1998
heeft appellant aan gedaagde met ingang van 31 december 1998 een
WAO-uitkering toegekend, welke werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het hiertegen door appellant
gemaakte bezwaar werd door gedaagde bij besluit van 1 juni 1999 gegrond
verklaard en gedaagde werd met ingang van 31 december 1998 in aanmerking
gebracht voor een volledige WAO-uitkering. Aan laatstgenoemd besluit lag
onder andere ten grondslag het door psychiater J.J.M. Min op 29 april
1999 op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst uitgebrachte
rapport van onderzoek van gedaagde, waarin Min, die onder andere melding
maakte van een psychiatrische opname langere tijd geleden en behandeling
door de RIAGG, concludeerde tot een dysthyme stoornis, een
somatisatiestoornis en een persoonlijkheidsstoornis NAO. Na behandeling
achtte Min over bijvoorbeeld een half jaar het verrichten van lichte
werkzaamheden elders niet onmogelijk. Vervolgens heeft Min op verzoek
van de verzekeringsarts W.M. Koek gedaagde andermaal onderzocht en in
zijn rapport van 17 februari 2000 vastgesteld dat er thans een ander
beeld is, dat er geen dysthyme stemmingsstoornis of een
somatisatiestoornis aanwezig is, dat hoogstens sprake is van een
aanpassingsstoornis met gemengd emotionele kenmerken en dat gedaagde in
staat moet worden geacht voltijds lichte werkzaamheden te verrichten met
daarbij de aanwijzing voor autonoom functioneren ter vermijding van
autoriteitsproblematiek. Koek heeft gedaagde vervolgens op 24 maart 2000
onderzocht en in lijn van het tweede rapport van Min de belastbaarheid
van gedaagde vastgelegd in het handgeschreven FIS-formulier van 21 maart
2000 met onder andere beperkingen op de onderdelen 28A (werken onder
tijdsdruk) en 28E (conflicthantering). Aan de hand hiervan berekende de
arbeidsdeskundige P. Kars na functieduiding het verlies aan
verdienvermogen van gedaagde op afgerond 35%, waarna appellant het
primaire besluit van 4 juli 2000 nam.
In de bezwaarprocedure kwam informatie van de gedaagde sedert 17 juli
2000 behandelend psychiater H.M. van der Heijden van 27 september en 19
oktober 2000 beschikbaar, waarin sprake was van een geagiteerd
depressief toestandsbeeld in het kader van een depressieve fase van een
manisch depressieve stoornis, van een duidelijke verslechtering van het
toestandsbeeld van gedaagde sedert het laatste onderzoek van Min, van
het stellen van de diagnose bipolaire I stoornis, laatste episode
depressief, van het gevaar van manisch psychotische decompensatie bij
verdere druk en van instelling van gedaagde op medicatie met als
conclusie dat gedaagde thans volledig arbeidsongeschikt is. Tevens ging
Van der Heijden in op de psychiatrische voorgeschiedenis van gedaagde
met onder andere een gedwongen opname in 1983. Hulst, die gedaagde niet
zelf heeft onderzocht, wees in zijn rapport van 25 oktober 2000 op het
arbeidsverleden van gedaagde zonder geregistreerd langdurig of frequent
kortdurend verzuim en op het late tijdstip waarop gedaagde, ondanks het
advies van Min, zich onder behandeling liet stellen. De conclusie van
Hulst was dat gedaagde met de vastgestelde beperkingen in staat moest
worden geacht de geduide functies te vervullen, waarna gedaagde het
primaire besluit bij het bestreden besluit handhaafde.
De rechtbank heeft de psychiater G. Nabarro als deskundige benoemd voor
het instellen van een onderzoek. Nabarro onderzocht gedaagde op 22
januari 2002 en ontving informatie van de huisarts van gedaagde, waarin
onder andere melding werd gemaakt van een opname van gedaagde op 1
januari 1983 in verband met manie bij een bipolaire stoornis en een
depressie op 30 december 1997. In het rapport van zijn onderzoek van 13
augustus 2002 gaf Nabarro, die na psychiatrisch onderzoek van gedaagde
tot een vergelijkbare diagnose kwam als Van der Heijden, aan dat de door
gedaagde beschreven klachten en symptomen, alsmede zijn
ziektegeschiedenis er op wijzen dat gedaagde lijdt aan een ernstige
psychiatrische ziekte, waarvoor hij pas relatief kort onder behandeling
is gekomen, en dat er na de start van de medicatie sprake was van
verbetering zonder volledig herstel. Deze ziekte heeft volgens Nabarro
bij gedaagde geleid tot functiestoornissen, die zich manifesteren in de
stemmingsregulatie, het activiteitenniveau, het cognitieve functioneren
en de relatie met anderen. Voor een adequate beoordeling van de
belastbaarheid van gedaagde achtte Nabarro het gewenst dat deze eerst
plaatsvindt na een specifiek op de stoornis van gedaagde gerichte en
volgehouden behandeling.
Nabarro kon zich niet verenigen met het voor gedaagde opgestelde
belastbaarheidspatroon en achtte gedaagde op de datum in geding niet
belastbaar met arbeid.
De rechtbank zag geen aanleiding de bevindingen en conclusies van
Nabarro voor onjuist te houden en nam deze over. In verband hiermede
achtte de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit
onjuist.
In hoger beroep heeft appellant er in zijn aanvullend beroepschrift op
gewezen dat uit de onderzoeken van Koek, Min en Hulst niet is gebleken
dat zich ten aanzien van gedaagde een van de uitzonderingssituaties
voordeed als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, dat ten tijde van de datum in geding gold
en in verband waarmee volgens artikel 2, tweede lid, op medische gronden
volledige arbeidsongeschiktheid mag worden aangenomen. Met name wees
appellant er op dat het rapport van Min aangaf dat gedaagde nog diverse
activiteiten ontwikkelde en dat Nabarro op geen enkele wijze het
dagverhaal, alsmede het persoonlijk en sociaal functioneren van gedaagde
in beeld bracht. Volgens gedaagde voldoet het rapport van Nabarro dan
ook niet aan de in evengenoemd Schattingsbesluit gestelde eisen.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant, die
overigens een aan de rechtbank gerichte reactie op het rapport van
Nabarro van 7 oktober 2002 heeft overgelegd met een strekking als
evenbedoeld, welke zich evenwel niet bij het door de rechtbank
ingediende procesdossier bevond, aangegeven dat de hiervoor weergegeven
grond dat het rapport van Nabarro niet voldoet aan de vereisten van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, in verband met de
uitspraak van de Raad van 13 oktober 2004 (USZ 2004,352, RSV 2005,4 en
LJN AR 4192) is vervallen.
De gemachtigde van appellant is van mening dat het rapport van Nabarro
niettemin niet dient te worden gevolgd omdat de conclusie dat gedaagde
niet belastbaar is voor arbeid niet met medische gegevens wordt
onderbouwd. Daarbij wees zij op de hiervoor weergegeven conclusies van
het rapport van Min van 17 februari 2000, op de vaststelling van Koek op
zijn spreekuur dat er geen stemmingsprobleem was, op het
activiteitenniveau van gedaagde, zoals dit bij het onderzoek van Koek
bleek en waarvan ook Nabarro melding maakte, en op de lange periode van
werken van gedaagde sinds zijn opname in 1983 zonder langdurig of
frequent kortdurend verzuim.
De Raad stelt, gelet op de verklaring van de zijde van appellant ter
zitting, vast dat het punt van geschil in dit geding zich beperkt tot de
vraag of de conclusies van het rapport van Nabarro al dan niet in rechte
kunnen worden gevolgd in verband met de vraag of deze conclusies al dan
niet met medische gegevens zijn onderbouwd.
De Raad stelt bij zijn beoordeling van deze vragen voorop dat in zijn
vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een
onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in
beginsel pleegt te volgen. Hiervan uitgaande heeft de Raad, evenals de
rechtbank, in dit geval geen aanleiding gezien de conclusies van Nabarro
voor onjuist te houden en onderschrijft hij derhalve het op het rapport
van Nabarro gebaseerde oordeel van de rechtbank.
De Raad overweegt daartoe in de eerste plaats het op grond van de
gedingstukken, waaronder in het bijzonder de informatie van Van der
Heijden, bij wie gedaagde op 17 juli 2000 in behandeling was gekomen,
aannemelijk te achten dat de gezondheidstoestand van gedaagde zich na de
onderzoeken van Min en Koek, waarop hun rapporten van 17 februari en 12
april 2000 betrekking hebben, in duidelijk ongunstige zin heeft
gewijzigd. Van deze ontwikkeling in de gezondheidstoestand van gedaagde
maakt Nabarro ook melding met een korte weergave van de essentie van de
onderzoeken van Min, Koek en Van der Heijden. Gezien deze ontwikkeling
had het naar het oordeel van de Raad trouwens in de rede gelegen dat
Hulst, die ook de beschikking had over de informatie van Van der
Heijden, in de bezwaarprocedure gedaagde had opgeroepen voor een nader
onderzoek op zijn spreekuur dan wel Min om een reactie had gevraagd
omtrent de bevindingen van Van der Heijden. Voorts meldt Nabarro dat
gedaagde, afgezien van huishoudelijke activiteiten, overdag weinig
doelgerichte activiteiten heeft en beschrijft hij de functiestoornissen
en beperkingen, waartoe de psychiatrische ziekte van gedaagde leidt. Dat
onder andere van functiestoornissen in relatie tot anderen in de zomer
van 2000 sprake moet zijn geweest, wordt onderstreept door een zich in
het dossier bevindende brief van Van der Heijden van 11 augustus 2000,
waarvan de Raad niet gebleken is dat ook Nabarro daarover reeds de
beschikking had.
In deze brief komt naar voren dat de eerder beschreven stoornis gepaard
ging met licht dysfore ontremming in de vorm van verbale agressiviteit
naar gedaagdes vriendin en dat gedaagde thans onder de druk der
omstandigheden bereid is tot instelling op medicatie met Lithium. Voorts
is in de brief van Van der Heijden van 3 augustus 2001 aangegeven dat
gedaagde wel baat vindt bij de medicatie, dat de stemmingswisselingen
minder heftig zijn en dat hij veel minder geagiteerd is. Dit laatst
ondersteunt de bevinding van Nabarro dat een reële inschatting van de
belastbaarheid van gedaagde, gezien de gestelde diagnose, eerst te maken
valt na een specifieke op de stoornis gerichte behandeling.
De Raad is al met al van oordeel dat Nabarro in voldoende mate medisch
heeft onderbouwd dat hij zich niet kan verenigen met de ten tijde van de
datum in geding voor gedaagde vastgestelde belastbaarheid en dat hij,
gezien de ernst van het psychiatrische ziektebeeld in de zomer van 2000,
welke ernst wordt onderstreept door de beschikbare informatie van Van
der Heijden, tot de conclusie kon komen dat gedaagde op de datum in
geding op medische gronden niet met arbeid belastbaar was. De
omstandigheid dat zich nadien een verbetering heeft voorgedaan en dat
gedaagde inmiddels blijkens de brief van Van der Heijden van 6 september
2002 is gestopt met het gebruik van Lithium vanwege de bijwerkingen,
leidt niet tot een ander oordeel omtrent de geldigheid in rechte van de
conclusies van Nabarro voor de datum in geding. De hiervoor gestelde,
als enige punten van geschil overblijvende, vragen dienen derhalve
bevestigend te worden beantwoord.
Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,= te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|