|
Uitspraak
03/2179 WAO en 03/2180 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20
maart 2003, nummers WAO 02/951 en 02/952-MES, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 1 februari 2005,
waar appellant in persoon is verschenen en waar namens gedaagde is
verschenen mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het UWV.
II. MOTIVERING
Appellant heeft gewerkt als lasser via een uitzendbureau en is
uitgevallen met nek- en schouderklachten. Bij het einde van de zogeheten
wachttijd is appellant door gedaagde ongeschikt geacht voor zijn werk
als lasser. Gelet op de voor hem vastgestelde belastbaarheid wordt
appellant wel in staat geacht om te werken in functies die voor hem zijn
geselecteerd. Hij kan in die functies, vergeleken met het voor hem
geldende maatmaninkomen, een zodanig inkomen verdienen dat hij voor 35
tot 45% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Vanaf 13 januari 2001 heeft appellant naar aanleiding van zijn aanvraag
om uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) een voorschot op de hem toe te kennen uitkering ontvangen. Bij de
voorschotverlening is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100%. Appellant is hiervan op de hoogte gesteld bij besluit
van 13 februari 2001.
Bij besluit van 21 maart 2001 heeft gedaagde appellant met ingang van 13
januari 2001 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij besluit van 2 april 2001 heeft gedaagde de over de periode van 13
januari 2001 tot en met 31 maart 2001 onverschuldigd betaalde uitkering
ingevolge de WAO, € 1.697,71 bruto, van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 5 maart 2002 (verder: besluit 1) heeft gedaagde het
bezwaar van appellant tegen de in het besluit van 21 maart 2001 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid ongegrond
verklaard.
Bij besluit van eveneens 5 maart 2002 (verder: besluit 2) heeft gedaagde
onder meer het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 april 2001
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de ingestelde beroepen
tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak is uiteengezet waarom de rechtbank de door
gedaagde vastgestelde belastbaarheid van appellant uitgaande van de
datum 13 januari 2001 rechtens niet onjuist acht. Voorts heeft de
rechtbank de grief van appellant dat hij de geselecteerde functies niet
zou kunnen vervullen gelet op zijn opleidingsniveau en de beheersing van
de Nederlandse taal, besproken en verworpen. De rechtbank heeft de
schatting ook wat betreft de overige arbeidskundige aspecten rechtens
niet onjuist bevonden.
Ook de terugvordering is door de rechtbank in stand gelaten. In de
aangevallen uitspraak is daartoe overwogen dat van dringende redenen om
van terugvordering af te zien als genoemd in artikel 57, vierde lid van
de WAO in dit geval geen sprake is. In de aangevallen uitspraak is
daartoe geoordeeld dat de terugvordering geen onaanvaardbare gevolgen
voor appellant oplevert.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over besluit 1 en besluit 2 in rechte stand kan houden.
Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat,
in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen
nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel
gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de
rechtbank.
Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de
Raad het volgende.
Wat betreft de grieven tegen besluit 1 blijkt uit de weergave van de
bezwaren op medisch gebied in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts
J.C. Kokenberg van 13 november 2001 dat deze arts bekend was met de
hoofdpijnklachten en de lage rugklachten van appellant maar dat hij
gelet op de resultaten van zijn eigen onderzoek en de informatie van
appellants huisarts geen medische grond aanwezig heeft geacht om
appellants belastbaarheid verder te beperken dan hij ter aanpassing van
het in de primaire fase van de besluitvorming opgestelde
belastbaarheidsprofiel op de onderdelen 13, 14 en 15 heeft gedaan. De
Raad heeft evenmin als de rechtbank aanleiding gevonden deze gang van
zaken onjuist te achten.
Bovendien is van de zijde van appellant in hoger beroep geen medische
informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op appellants
medische situatie op de datum in geding.
Wat betreft het arbeidskundig aspect van besluit 1 heeft de Raad, mede
gelet op de in hoger beroep door gedaagde gegeven aanvullende informatie
inzake in het bijzonder de tilbelasting in de functie machinevoerder,
geen aanleiding gevonden om hierover anders te oordelen dan de rechtbank
heeft gedaan.
Wat betreft besluit 2 overweegt de Raad dat hij het oordeel van de
rechtbank onderschrijft dat de terugvordering geen onaanvaardbare
gevolgen voor appellant oplevert, ook al heeft appellant het teveel
betaalde aan levensonderhoud uitgegeven.
De Raad merkt in verband hiermee op dat in besluit 2, naast de
ongegrondverklaring van appellants bezwaar, ook een - overigens buiten
de omvang van het geding vallend - besluit is opgenomen om naar
aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van appellant het
maandelijks met appellants uitkering te verrekenen bedrag vanaf maart
2002 te verlagen tot
€ 45,38.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat besluit
1 en besluit 2 in rechte geen stand kunnen houden, komt de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|