|
Uitspraak
03/2150 WAO en 03/2152 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft G.F.J.M. Raijmakers, werkzaam bij Van de Koolwijk
Accountants en Adviesgroep te Zeeland, hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 maart 2003, nummers
AWB 02/342 en AWB 02/612, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 januari 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en
waar namens gedaagde is verschenen mr. M.W. Tak-de Heer, werkzaam bij
het UWV.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sinds 26 februari 1997 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1997 is appellant als
zelfstandige gaan werken en vanaf 1 januari 1998 vormt hij samen met
zijn echtgenote een vennootschap onder firma (verder: vof). Uit de
werkzaamheden ontvangt appellant inkomsten die vanaf 1999 naar het
oordeel van gedaagde van invloed zijn op de uitbetaling van de uitkering
ingevolge de WAO.
Bij besluit van 9 november 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld
dat over het jaar 1999 de uitkering alsnog wordt betaald als ware
appellant voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt met toepassing van artikel
44 van de WAO.
Bij een tweede besluit van 9 november 2000 heeft gedaagde de in verband
met het hiervoor genoemde besluit over het jaar 1999 onverschuldigd
betaalde uitkering ingevolge de WAO van appellant teruggevorderd tot een
bedrag van ƒ 11.899,12 bruto + overhevelingstoeslag.
Bij besluit van 11 januari 2002 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde het
bezwaar van appellant tegen de beide hiervoor vermelde besluiten
ongegrond verklaard.
Bij besluit van 20 september 2001 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat over het jaar 2000 de uitkering alsnog wordt betaald als
ware appellant voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt met toepassing van
artikel 44 van de WAO.
Bij besluit van 21 september 2001 heeft gedaagde in verband met het
besluit van 20 september 2001 over het jaar 2000 onverschuldigd betaalde
uitkering ingevolge de WAO van appellant teruggevorderd tot een bedrag
van ƒ 9.641,35 bruto + overhevelingstoeslag.
Bij besluit van 8 februari 2002 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde het
bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 september 2001 ongegrond verklaard.
Tegen de besluiten 1 en 2 heeft appellant beroep ingesteld bij de
rechtbank.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellant met "eiser" en
gedaagde met "verweerder" worden aangeduid en waarin besluit 1
en besluit 2 respectievelijk "besluit V" en "besluit
VI" worden genoemd, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"In deze gedingen is de vraag aan de orde of de bestreden besluiten
V en VI, waarbij de bezwaren tegen de primaire besluiten houdende
gedeeltelijke niet-uitbetaling van de WAO-uitkering over 1999 en over
2000 alsmede de met het besluit over 1999 samenhangende terugvordering
ongegrond werden verklaard, in rechte stand kunnen houden. Voor de
beantwoording daarvan is van cruciaal belang of verweerder terecht en op
juiste gronden bij de "fictieve schattingen" ex artikel 44 van
de WAO is afgeweken van de winstverdeling zoals die door eiser werd
gemaakt.
De rechtbank is uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser was sinds 1985 werkzaam in loondienst als
(constructie)machinebankwerker.
In oktober 1995 heeft hij op naam van zijn echtgenote een
metaalbewerkingsbedrijfje opgericht in de vorm van een eenmanszaak, welk
bedrijfje tot (omstreeks) januari 1998 nauwelijks enige betekenis had.
Op 28 februari 1996 is eiser ziek geworden en met ingang van 26 februari
1997 op medische gronden 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Met ingang
van 1 januari 1998 is de eenmanszaak van de echtgenote omgezet in een
vof samen met eiser. In de tussen de vennoten geldende "akte van
vennootschap onder firma" zijn onder meer regels opgenomen voor de
verdeling van het normale resultaat uit bedrijfsuitoefening en voor de
handelwijze in geval van arbeidsongeschiktheid.
Voor zover hier van belang is bepaald:
Artikel 9, onder A: Het normale jaarlijkse resultaat uit gewone
bedrijfsuitoefening wordt steeds verdeeld met inachtneming van de
volgende aandelen in dat bedrijfsresultaat en ongeacht of dat
bedrijfsresultaat positief of negatief is. (...) Iedere vennoot ontvangt
voor de door hem ten behoeve van het bedrijf van de vennootschap
verrichte arbeid een vergoeding waarvan de grootte in onderling overleg
jaarlijks zal worden aangepast. Hetgeen na de hiervoor vermelde
vergoedingen als saldo resteert, wordt jaarlijks als volgt verdeeld,
ongeacht of dat bedrijfsresultaat positief of negatief is: de vennoten
ontvangen of dragen ieder 50%.
Artikel 9, slotzin: De verdeling van het bedrijfsresultaat kan jaarlijks
in onderling overleg worden gewijzigd.
Artikel l0, tweede lid: Indien een vennoot arbeidsongeschikt is komen de
kosten van de vervangende arbeid ten laste van het bedrijf van de
vennootschap onder firma en de meerarbeid van de andere vennoot wordt
niet vergoed. Indien en voor zover periodieke uitkeringen het gevolg
zijn van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden deze tussen de
vennoten verrekend overeenkomstig de procentuele verdeling van het
resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening.
Over de jaren 1999 en 2000 heeft (evenals over 1998) feitelijk de
bepaling van ieders winstaandeel plaatsgevonden door bij het commerciële
resultaat van de vof uit gewone bedrijfsuitoefening op te tellen het
bedrag van de WAO-uitkering van eiser en (na verrekening van een
rentevergoeding over het kapitaal van beide vennoten) de uitkomst te
delen door twee, en ten aanzien van het aan eiser toe te rekenen
winstaandeel daarop in mindering te brengen het bedrag van zijn
WAO-uitkering. Over het jaar 1999 bedroeg de winst uit onderneming (na
verrekening van rentevergoedingen over ieders kapitaal) toegerekend aan
eiser f 13.763 (24,2% van de winst van de vof) en aan diens echtgenote f
43.021 (75,8% van de winst van de vof). Over het jaar 2000 bedroegen de
uitkomsten respectievelijk f 29.503 (32,9%) en f 60.181 (67,1 %). Op het
aldus berekende saldo is ter bepaling van de fiscale winst van eiser
onder meer nog in aanmerking genomen 50% van het verschil tussen de
commerciële en fiscale (willekeurige) afschrijvingen alsmede de
investeringsaftrek behorend bij 50% van het investeringsbedrag (over
1999 resulterend in een aftrek van f 8.974 en over 2000 van f 16.794).
Over het jaar 1999 bedroeg de door eiser aangegeven fiscale winst
hierdoor f 5.409, en over het jaar 2000 f 14.449.
De WAO-uitkering neemt eiser voor het gehele bedrag op in zijn eigen
aangifte.
Verweerder hanteert als uitgangspunt dat voor de toepassing van artikel
44 van de WAO in principe als inkomsten uit arbeid mag en moet worden
gehanteerd de winst die door de belastingdienst als zodanig is aanvaard,
en dat slechts in bijzondere omstandigheden van de door de
belastingdienst vastgestelde winst mag of moet worden afgeweken en deze
winst zelfstandig worden vastgesteld. Verweerder heeft zich op het
standpunt gesteld dat het aandeel van de winst dat aan eiser is
toebedeeld niet in overeenstemming is met diens feitelijke
arbeidsinbreng in relatie tot die van eisers echtgenote, dan wel dat dit
winstaandeel onjuist werd berekend, waardoor zowel ten aanzien van 1999
als van 2000 sprake is van een bijzondere omstandigheid als hier
bedoeld. Ter vaststelling van het uit te betalen deel van de
WAO-uitkering over 1999 heeft verweerders arbeidsdeskundige aan de hand
van arbeidsduur per week en geschatte loonwaarde eisers winstaandeel
berekend op 61 %. Met betrekking tot 2000 heeft verweerder de door eiser
en diens echtgenote aangegeven winstverdeling van 50/50 in stand
gelaten, doch - evenals bij de berekening over 1999 en in afwijking van
wat eiser doet - het bedrag van de WAO-uitkering niet bij de te verdelen
winst geteld.
Ten aanzien van het terugvorderingsbesluit over 1999 heeft verweerder
gesteld dat hij ingevolge artikel 57 van de WAO is gehouden hetgeen
onverschuldigd is betaald terug te vorderen, en dat er op dit punt geen
expliciete bezwaren naar voren zijn gebracht en ook niet gebleken is van
evidente onjuistheden, noch dat er dringende redenen aanwezig zijn
waardoor geheel of gedeeltelijk van invordering zou kunnen worden
afgezien.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de aangiften
inkomstenbelasting 1999 en 2000 gepresenteerde fiscale winstberekeningen
als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd bij de vaststelling van het
uit te betalen deel van de WAO-uitkering, en verwijst daarbij naar
hetgeen in artikel 10, tweede lid van de vennootschapsakte over de
verdeling is bepaald. Eiser acht het onbegrijpelijk en feitelijk onjuist
dat over 1998 wel werd uitgegaan van de fiscale winst, en over 1999 en
2000 niet, terwijl de belastingdienst de aanslagen over 1998 en 1999
conform de aangifte heeft vastgesteld. Volgens eiser heeft verweerder,
over 1999 bij de bepaling van de loonwaarde en over 2000 bij de
grondslag waarover het winstaandeel van 50% moet worden berekend, geen
rekening gehouden met de verminderde kwaliteit van de uren van eiser als
gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid. Eiser wijst er op dat er niet
altijd een directe relatie ligt tussen de arbeidsinbreng en het niveau
van de ondernemingswinst, zodat een berekening op basis van de
loonwaarde geen juiste weergave kan zijn van de resterende
verdiencapaciteit. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat
de handelwijze van verweerder, in het ene jaar leidend tot een
winstaandeel van 61 % en in het andere jaar van 50%, onbegrijpelijk is
en feitelijk onjuist. Ter terechtzitting is namens eiser nog aangevoerd
dat ongeacht het resultaat de winstverdeling jaarlijks op dezelfde wijze
plaatsvindt, met een verdeling van 50/50 met inbreng van de
WAO-uitkering ter bepaling van ieders aandeel.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank is met partijen van oordeel dat in beginsel moet worden
uitgegaan van de winst welke door de belastingdienst als zodanig is
aanvaard en dat hiervan slechts in bijzondere omstandigheden kan of moet
worden afgeweken. Van zulke bijzondere omstandigheden is sprake als het
resultaat van de winstverdeling voor de vaststelling van het recht op
WAO-uitkering niet aanvaardbaar is.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van zodanige
bijzondere omstandigheden. Het kan immers niet zo zijn dat voor de
vaststelling van de arbeidsinkomsten die de uitbetaling van de
WAO-uitkering bepalen een systeem van winstverdeling wordt gehanteerd
waarbij die op juistheid te toetsen uitbetaling deel uitmaakt van de
grondslag van de verdeling. Verweerder heeft daarom op juiste gronden
zelfstandig andere berekeningswijzen gehanteerd, waarbij de rechtbank
het niet voor onjuist houdt dat voor het jaar 1999 is aangesloten bij de
loonwaarden en duur van het werk dat beide vennoten volgens eigen opgave
in de onderneming verrichtten, en dat verweerder voor het jaar 2000
heeft aangesloten bij de door de vennoten aangegeven winstverdeling van
50/50 waarvan alleen de grondslag is aangepast. Uit de stukken is immers
gebleken dat eisers echtgenote in 2000 meer is gaan werken in de
onderneming, waardoor verweerder heeft ingestemd met die
winstverdelingsverhouding. De rechtbank is van oordeel dat niet is
gebleken dat de aldus berekende uitkomsten een onjuist beeld geven. De
grief van eiser dat geen rekening is gehouden met de verminderde
kwaliteit van de uren van eiser als gevolg van zijn
arbeidsongeschiktheid kan niet slagen nu het bij artikel 44 van de WAO
niet gaat om de inkomsten uit arbeid die evenredig zijn aan de
"kwaliteit" van de door de uitkeringsgerechtigde verrichte
arbeid, maar om inkomsten die aan zijn arbeid zijn toe te rekenen en
waarmee hij zichzelf direct of indirect heeft verrijkt. In dit verband
wijst de rechtbank op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep,
gepubliceerd in RSV 92/343 en RSV 2001/1. Overigens heeft eiser genoemde
verminderde kwaliteit niet verder onderbouwd of gekwantificeerd, terwijl
daarvan ook niet is gebleken. De rechtbank merkt hierbij nog op dat over
1999 eisers loonwaarde door verweerder werd geschat op f 27,33 per uur,
terwijl eisers maatmanloon toen f 33,71 per uur bedroeg.
Ook de grief van eiser, dat de winstverdeling over 1999 voor eiser op 61% uitkomt en over 2000 op 50% en daarmee jaarlijks verandert kan niet
slagen, nu deze wijziging van de winstverdeling recht doet aan het feit
dat de echtgenote meer is gaan werken in 2000. Bovendien blijft dit in
lijn met wat door de vennoten zelf in artikel 9, onder A en slotzin, van
de vennootschapsakte als uitgangspunt is geformuleerd, zijnde dat de
primaire vergoeding voor de arbeid van iedere vennoot jaarlijks zal
worden aangepast, hetgeen tot effect heeft dat ook de winstverdeling in
beginsel jaarlijks kan wijzigen.
Tot slot merkt de rechtbank op dat naar haar oordeel in dit geval ook de
in verhouding grote invloed die de willekeurige
afschrijvingsmogelijkheden en de investeringsaftrek hebben op de fiscale
winst, en daarmee in beginsel op de uitbetaling van het recht op
WAO-uitkering bijzondere omstandigheden vormen waardoor niet kan worden
uitgegaan van de fiscale winst.
Met betrekking tot het beroep voor zover dat samenhangt met het
terugvorderingsbesluit over 1999 stelt de rechtbank vast dat dit niet
nader is gemotiveerd en overigens niet is gebleken van onjuiste
besluitvorming.
Op grond van het vorenstaande dient de in de eerste alinea van deze
rubriek geformuleerde vraag bevestigend te worden beantwoord, zodat de
beroepen ongegrond moeten worden verklaard."
In hoger beroep bestrijdt appellant de juistheid van de door gedaagde
gehanteerde winstverdeling over de jaren 1999 en 2000. Voorts is
aangevoerd dat de door de arbeidsdeskundige P. Baaijens in zijn rapport
van 30 oktober 2000 genoemde aantallen per week in de onderneming
gewerkte uren door appellant en zijn echtgenote feitelijk onjuist zijn.
De Raad oordeelt als volgt.
Al hetgeen door en namens appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft
de Raad geen aanleiding gegeven het hiervoor weergegeven oordeel van de
rechtbank in de aangevallen uitspraak over besluit 1 en besluit 2 voor
onjuist te houden. De Raad onderschrijft op hoofdlijnen de overwegingen
van de aangevallen uitspraak.
De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is
aangevoerd het volgende.
Uit de door appellants gemachtigde eerst na de kennisgeving van
behandeling ter terechtzitting van de Raad ingezonden stukken over het
boekenonderzoek van 17 oktober 2003 van de Belastingdienst blijkt
duidelijk dat ook de Belastingdienst thans van oordeel is dat de
uitkering ingevolge de WAO ten onrechte bij de bepaling en de verdeling
van de winst van de vof in aanmerking is genomen in de jaren 1999, 2000
en daarna.
Voorts blijkt dat de fiscus de aanslagen over 1999 en 2000 niet heeft
herzien omdat er volgens die instantie geen mogelijkheid meer is tot het
opleggen van navorderingsaanslagen over die jaren.
Reeds het gegeven van dit erkend onjuiste en niet gecorrigeerde
standpunt van de fiscus met betrekking tot de verdeling van de winst
leidt tot de conclusie dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden
op grond waarvan gedaagde van de door de Belastingdienst gehanteerde
verdeling van de winst met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 kon
afwijken en een eigen berekening mocht maken.
Met betrekking tot het jaar 1999 is betoogd dat de door de
arbeidsdeskundige Baaijens in zijn rapport van 30 oktober 2000
gehanteerde aantallen uren niet juist zijn.
In het voetspoor van zijn uitspraak van 13 maart 1996, gepubliceerd in
RSV 1996/158, overweegt de Raad in verband met deze grief dat bij een
onderzoek dat tot een rapport als het onderhavige leidt, een
arbeidsdeskundige in belangrijke mate afhankelijk is van de inlichtingen
van de betrokken zelfstandige. Daarvan dient een zelfstandige zich
bewust te zijn. Dit brengt met zich dat nadien niet licht tot een andere
voorstelling van zaken kan worden gekomen. Voor dit laatste dienen er
ondubbelzinnige aanwijzingen te zijn. Aanwijzingen als hiervoor bedoeld
heeft de Raad in dit geval niet aangetroffen.
In verband hiermee merkt de Raad op dat van de zijde van appellant noch
tijdens de procedure in eerste aanleg noch in hoger beroep een
gespecificeerde berekening is overgelegd van een urenverdeling zoals die
naar zijn mening in 1999 in feite is geweest.
Voorts is het de Raad opgevallen dat appellants gemachtigde heeft
gesteld dat appellant van meet af aan de door Baaijens gehanteerde
urenverdeling zou hebben bestreden maar dat daarvan niet blijkt uit de
inhoud van zijn bezwaarschrift tegen de besluiten van 9 november 2000 of
uit het verslag van de hoorzitting in verband met dat bezwaar.
De stelling dat appellant pas door de toezending van de stukken door de
rechtbank van die onjuiste urenaantallen in het rapport van 30 oktober
2000 kennis zou hebben genomen is onhoudbaar. Onder dagtekening 3
november 2000 zond Baaijens aan appellant een brief waarin hij aangaf
van welke gegevens en urenaantallen hij over 1999 was uitgegaan en welke
gevolgen dat voor appellants uitkering zou hebben. Het had voor de hand
gelegen dat appellant of zijn gemachtigde naar aanleiding van die brief
zich terstond tot Baaijens zouden hebben gewend dan wel deze brief in de
bezwaarprocedure aan de orde hadden gesteld en dat is niet gebeurd.
Ook overigens ziet de Raad in dit geval geen grond aanwezig om het
onderzoek van de arbeidsdeskundige Baaijens en zijn berekeningen als
onzorgvuldig te kenschetsen.
Dienaangaande overweegt de Raad dat de stelling dat de uren van
appellant "van mindere kwaliteit" zouden zijn aan betekenis
verliest tegen de achtergrond van het ook door Baaijens gememoreerde
gegeven dat appellant, anders dan zijn echtgenote, op het terrein van de
metaalbewerking een geschoold vakman met ruime praktijkervaring is die
zich ook met de commerciële kant van zijn onderneming, het werven van
orders etc., bezighoudt.
Ten slotte overweegt de Raad met betrekking tot het jaar 2000 dat de
arbeidsdeskundige Baaijens in zijn rapport van 9 september 2001 duidelijk heeft aangegeven waarom hij toen een
winstverdeling van 50-50 juist heeft geacht op grond van het meer gaan
werken door de echtgenote van appellant.
Met betrekking tot het terugvorderingbesluit van 9 november 2000 komt de
Raad nu ook in hoger beroep geen zelfstandige grieven daartegen zijn
geuit tot geen andere beschouwingen dan de rechtbank. De rechtbank merkt
overigens nog op dat haar ter zitting niet is gebleken dat appellant
destijds ook heeft beoogd bezwaar te maken tegen het
terugvorderingsbesluit van 21 september 2001.
Uit het vorenstaande blijkt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|