|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4462 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.J.M. van der Borst, advocaat &
procureur te Etten-Leur, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen
op 30 juli 2003 onder kenmerk 02/1723 door de rechtbank Breda gewezen
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 10 maart 2005. Zoals tevoren schriftelijk bericht
hebben partijen zich daar niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De hoogte van de door gedaagde ten laste van appellante voor 2002
vastgestelde gedifferentieerde premie is mede gebaseerd op de aan de
ex-werkneemster van appellante [naam betrokkene] (hierna: betrokkene)
met ingang van 5 april 2000 toegekende WAO-uitkering. Betrokkene was van
7 december 1998 tot 5 juni 1999 in dienst van appellante en is op 7 april 1999 arbeidsongeschikt geworden.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat de aan
betrokkene in verband met arbeidsongeschiktheid ten gevolge van
zwangerschap toegekende WAO-uitkering bij de bepaling van de (hoogte van
de) gedifferentieerde WAO-premie buiten aanmerking dient te blijven.
De Raad overweegt te dien aanzien dat naar zijn vaste jurisprudentie de
oorzaak van de arbeidsongeschiktheid geen rol speelt bij de vaststelling
van de gedifferentieerde premie.
Naar het oordeel van de Raad kan deze beroepsgrond ook geen doel treffen
als hij het betoog van appellante verstaat in die zin dat artikel 4,
vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO in het onderhavige
geval wegens strijd met Verdrag nr. 103 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO)
betreffende de bescherming van het moederschap van 28 juni 1952, Trb.
1953, 129, buiten toepassing dient te blijven. Daartoe overweegt de Raad
onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 september 2004 (LJN: AR 2250,
USZ 2004, 333) als volgt.
Artikel 3 van IAO-Verdrag nr. 103 waarborgt een recht op zwangerschaps-/bevallingsverlof, alsmede een aanvullend verlof in geval van ziekte die
blijkens een medisch attest een gevolg is van zwangerschap. Ingevolge
artikel 4, eerste lid, van IAO-Verdrag nr. 103 heeft de vrouw die uit
hoofde van het in artikel 3 bepaalde haar arbeid heeft verzuimd onder
andere recht op een geldelijke uitkering. De Raad is van oordeel dat de
uitkering krachtens de WAO niet als specifieke uitkering ter bescherming
van zwangerschap en moederschap kan worden aangemerkt. Recht op een
uitkering krachtens de WAO bestaat immers ook indien de
arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap en/of
bevalling. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de Nederlandse
wetgever middels artikel 29a van de Ziektewet invulling heeft gegeven
aan de uit artikel 3 van IAO-Verdrag nr. 103 voortvloeiende rechten.
Overigens merkt de Raad nog op dat de in artikel 4, achtste lid, van
IAO-Verdrag nr. 103 opgenomen waarborg ziet op de persoonlijke
aansprakelijkstelling van de werkgever voor de betaling van de
onderhavige (gedifferentieerde) premie.
Artikel 4, achtste lid, van IAO-Verdrag nr. 103 waarborgt dat de
werkgever niet persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de
betaling van de in artikel 3 bedoelde uitkeringen en verstrekkingen. De
voorwaarden voor de premieheffing ter dekking van kosten verbonden aan
deze uitkeringen en verstrekkingen zijn opgenomen in artikel 4, zevende
lid, van het verdrag. Artikel 4, zevende lid, bepaalt - voorzover hier
van belang - dat iedere premie, verschuldigd onder een stelsel van
verplichte sociale verzekering ter voorziening in uitkeringen en
verstrekkingen ter zake van moederschap, die geheven wordt teneinde te
voorzien in deze uitkeringen en verstrekkingen, wordt betaald naar het
totale aantal mannen en vrouwen in dienst bij de betrokken
ondernemingen, zonder onderscheid naar geslacht, onverschillig of de
betaling geschiedt door de werkgever, dan wel door de werkgever en de
werknemer gezamenlijk. Derhalve levert het in de berekening van de
gedifferentieerde premie meenemen van de uitkering krachtens de WAO van
betrokkene die rechtstreeks samenhangt met (complicaties van haar)
zwangerschap en/of bevalling naar het oordeel van de Raad geen strijd
met artikel 4 van IAO-Verdrag nr. 103 op.
Voorts betoogt appellante in hoger beroep tevergeefs dat de
gedifferentieerde premie door haar als boete wordt ervaren. In zijn
uitspraak van 5 juni 2003, LJN: AI1360, RSV 2003/232, heeft de Raad
eerder als zijn oordeel te kennen gegeven dat geen sprake is van een
criminal charge in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden.
De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.
Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
|
|