|
Uitspraak
03/2080 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is mr. J.H.H. Theuws, advocaat te 's-Hertogenbosch, op
bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen
van de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 maart 2003.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 november 2004,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Theuws, en
waar namens gedaagde is verschenen mr. P.A.A. Soer, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Tussen partijen is in geschil of gedaagde de aan appellante bij besluit
van 6 april 2000 met ingang van 27 april 2000 toegekende uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) terecht
heeft berekend naar een dagloon van f 166,98.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen de hoogte van het
dagloon bij besluit van 7 augustus 2000 ongegrond verklaard. Bij de
aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen
dat besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante onvoldoende heeft
aangetoond dat de opgave van de gewerkte dagen en de gewerkte uren door
de werkgever onjuist is. Aan de door appellante zelf in haar agenda
vermelde gegevens gaat de rechtbank in het kader van de vaststelling van
het aantal gewerkte dagen voorbij, reeds omdat daarbij geen sprake is
van objectieve gegevens. De rechtbank acht weliswaar aannemelijk dat de
loonspecificaties van de werkgever enkele onregelmatigheden bevatten,
maar is van oordeel dat dit gegeven nog niet rechtvaardigt dat aan de
loonopgave van de werkgever geen enkele waarde meer kan worden gehecht.
Appellante heeft haar stelling dat sprake is van een onjuiste
registratie bij de werkgever volgens de rechtbank niet met zodanig
overtuigende en verifieerbare gegevens onderbouwd dat daarmee de
juistheid van het door gedaagde vastgestelde dagloon in relevante mate
wordt aangetast.
In hoger beroep heeft appellante de juistheid van dit oordeel
gemotiveerd bestreden. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de werkgever
slechts een opgave heeft gedaan van de gewerkte dagen en uren zonder dat
daarbij de onderliggende urenadministratie ter inzage is geweest. Nu
zowel uit de agenda van appellante als uit de loonspecificaties blijkt
dat de urenopgave fouten bevat, had de rechtbank van gedaagde mogen
verlangen dat hij een nader onderzoek deed naar de aan de urenopgave ten
grondslag liggende urenadministratie. In het geval dat deze
urenadministratie niet meer beschikbaar is had gedaagde het aantal
gewerkte dagen en uren mogen vaststellen op basis van de gegevens in de
agenda van appellante en had niet mogen uitgaan van de aantoonbaar
onjuiste opgave van de werkgever. Appellante stelt dat zij door de
onjuistheden in het dagloon een WAO-uitkering heeft ontvangen die circa
54% bedroeg van haar laatstgenoten loon in plaats van 70%. Bovendien
wordt ook de WW-uitkering die zij aansluitend ontvangt naar het - te
lage - dagloon berekend. Zij verzoekt de Raad het dagloon vast te
stellen op
f 220,26.
De Raad overweegt als volgt.
Gedaagde heeft het WAO-dagloon berekend op basis van een door de
werkgever verstrekte, met de hand geschreven lijst waarop weken,
gewerkte dagen, gewerkte uren, ziektedagen en ziekte-uren in het
refertejaar staan vermeld. Het totaal aantal gewerkte uren is volgens de
lijst 422,5. Dit aantal uren is vermenigvuldigd met het op de eerste
WAO-dag geldende uurloon ad f 25,80. De uitkomst daarvan is gedeeld door
het aantal in het refertejaar gewerkte dagen, zijnde 65. Bij de som is
opgeteld 8% vakantietoeslag en vervolgens is afgetrokken de inhouding
VUT-premie en spaarloon.
De Raad stelt voorop dat aan de gegevens over gewerkte uren die
appellante in haar agenda heeft genoteerd niet dat gewicht kan toekomen
dat appellante daaraan toegekend wil zien, nu deze gegevens niet
objectief verifieerbaar zijn. Voorts valt uit de (slechts) drie
loonspecificaties die appellante in beroep heeft overgelegd en die zien
op periode 10 van 1998 en periodes 4 en 5 van 1999, niet op te maken op welke weken
zij betrekking hebben. Deze kunnen reeds om die reden niet vergeleken
worden met de opgave van de werkgever, terwijl appellante bovendien ter
zitting heeft verklaard dat ook deze specificaties niet geheel juist
zijn. De Raad moet dan ook concluderen dat appellante haar stelling dat
de opgave van de werkgever zodanige fouten bevat dat gedaagde daarop
niet had mogen afgaan, niet met enig concreet bewijs heeft kunnen
staven. Gegeven het uitgangspunt dat het primair op de weg van
appellante ligt om haar twijfel aan de juistheid van het dagloon te
onderbouwen, ziet de Raad dan ook geen grond te oordelen dat aan de
dagloonvaststelling een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding ten
grondslag ligt.
De Raad overweegt tot slot met betrekking tot punt III in de brief van
appellante aan de rechtbank van 27 september 2001 dat de werkgever aan
appellante naast het bruto uurloon per gewerkt uur plus vakantietoeslag
een toeslag betaalde van f 4,15 per uur voor vakantiedagenopbouw. Tussen
partijen is niet (meer) in geschil dat deze toeslag niet tot het in het
dagloon te verdisconteren loon behoort. Appellante stelt zich echter op
het standpunt dat de werkgever aan haar 8% vakantietoeslag over dit
bedrag is verschuldigd en dat deze vakantietoeslag tot het rechtens
geldende loon in de zin van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a,
van de Dagloonregelen WAO behoort. Appellante doet in dit verband een
beroep op de uitspraak van de Raad van 13 juli 1973, gepubliceerd in RSV
1974/60. Het beroep op die uitspraak gaat naar het oordeel van de Raad
hier niet op, nu bedoelde vakantietoeslag, zo appellante daarop recht
zou kunnen doen gelden, geen betrekking heeft op gewerkte dagen, doch
gerelateerd is aan de toeslag ad f 4,15 per uur, die ten doel heeft de
derving van inkomsten op te vangen over tijdvakken waarin appellante
niet heeft gewerkt, dit in tegenstelling tot de vakantietoeslagwaarde in
vakantiezegels waarin de over het loon voor gewerkte dagen opgebouwde
vakantietoeslag is geïncorporeerd. De Raad wijst in dit verband op zijn
uitspraak van 5 oktober 1988, gepubliceerd in RSV 1989/103.
De Raad onderschrijft dan ook het standpunt van gedaagde, inhoudende dat
appellantes dagloon in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van de
Dagloonregelen WAO is berekend, namelijk op basis van het feitelijk
verdiende loon plus de daarover betaalde vakantietoeslag over de in de
referteperiode gewerkte dagen.
De Raad concludeert dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft
verklaard en dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen
uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in
tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 27 januari 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) W.J.M. Fleskens.
|
|