|
Uitspraak
04/4914 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft gedaagde appellante meegedeeld van
haar een bedrag van € 1.824,96 terug te vorderen.
Tegen dit besluit heeft drs. N.J. Koek, de gemachtigde van appellante,
bij schrijven van 11 november 2003 namens appellante bezwaar gemaakt.
Gedaagde heeft bij besluit van 10 mei 2004 het bezwaar niet-ontvankelijk
verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
Op bij beroepschrift van 2 september 2004 aangevoerde gronden heeft de
gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van
de rechtbank Arnhem van 28 juli 2004 (reg.nr. AWB 04/1216), waarbij het
tegen het besluit van 10 mei 2004 ingestelde beroep ongegrond is
verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari
2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door drs.
Koek, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.J. Belder,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
Appellante kan zich niet verenigen met de niet-ontvankelijk verklaring
van haar bezwaar en heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld
dat zij in haar belangen is geschaad, omdat zij niet in staat is geweest
haar beroep mondeling ter zitting van de rechtbank toe te lichten. De
rechtbank heeft kennelijk aanleiding gezien de zaak versneld te
behandelen, waardoor de uitnodiging voor de zitting op 23 juli 2004 pas
op 15 juli 2004 naar haar gemachtigde is verzonden. Deze heeft ter
zitting van de Raad verklaard de volgende dag vroeg op vakantie te zijn
gegaan, zodat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de op zijn vroegst
later op die dag bezorgde uitnodiging en - nog afgezien van zijn
onbekendheid met de uitnodiging - niet ter zitting heeft kunnen
verschijnen en evenmin uitstel voor de zitting heeft kunnen vragen.
Bovendien is de uitnodiging alleen naar de gemachtigde gestuurd en niet
ook naar appellante, zodat ook zij niets van de geplande zitting afwist.
De gemachtigde van appellante vond de kennisgeving gelijktijdig met de
uitspraak in zijn brievenbus, na terugkomst van zijn vakantie. Voorts is
de rechtbank voorbij gegaan aan de relevante feiten en heeft de
rechtbank slechts procedureel naar de termijnen gekeken. Er moet gekeken
worden naar de bedoeling van de wetgever, namelijk het beschermen van de
zwakkeren in de samenleving, aldus tot slot de gemachtigde van
appellante.
De Raad overweegt dat de wijze van behandeling van de zaak door de
rechtbank conform het gestelde in artikel 8:52, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. In dat artikel is bepaald dat in
het geval er sprake is van spoedeisendheid de rechtbank kan overgaan tot
versnelde behandeling van de zaak, hetgeen onder meer inhoudt dat de
uitnodiging voor de zitting ook binnen een termijn van drie weken voor
de zitting aan partijen kan worden verzonden. Gelet op het belang bij
een spoedige vaststelling of het bezwaar ontvankelijk was, heeft de
rechtbank het beroep niet ten onrechte versneld behandeld.
Voorts merkt de Raad op dat de bezwaartermijn een strikte, wettelijk
vastgestelde termijn is en dat overschrijding van die termijn er toe
leidt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Niet-ontvankelijkheid kan achterwege blijven als de
termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. Het is de Raad niet
gebleken dat in het onderhavige geval daarvan sprake is. De Raad
overweegt hiertoe dat niet aannemelijk is gemaakt dat appellante niet in
staat is geweest tijdig (een inleidend) bezwaarschrift tegen het besluit
van 10 mei 2004 in te dienen, dan wel tijdig de hulp van derden in te
schakelen. De enkele bewering van appellante dat zij hiertoe niet in
staat was, is niet voldoende.
Met betrekking tot appellantes stelling dat zij een rechtsgang heeft
gemist doordat ze niet door de rechtbank is gehoord, overweegt de Raad
dat zij ter zitting van de Raad haar grieven naar voren heeft kunnen
brengen. De Raad is echter niet tot een andere opvatting kunnen komen
met betrekking tot de verschoonbaarheid.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|