|
Uitspraak
03/4080 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze zaak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 20 juni 2001 heeft appellant geweigerd aan gedaagde per
24 februari 2001 een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging
dat zij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Bij besluit van 8 april 2002 heeft het bezwaar van gedaagde tegen zijn
besluit van 20 juni 2001 gegrond verklaard en aan gedaagde per 24
februari 2001 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
Bij uitspraak van 30 juni 2003, kenmerk SBR 02/1033, heeft de
rechtbank Utrecht het beroep van gedaagde tegen het besluit van 8 april
2002 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden
besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op
bezwaar te nemen, bepaald dat appellant aan gedaagde het griffierecht
(€ 29,--) vergoedt en appellant veroordeeld in de proceskosten van
gedaagde (€ 989,--).
Tegen die uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift (met
bijlage en een toelichting van gelijke datum) aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Als door de Raad benoemde deskundige heeft prof. dr. T.I. Oei,
zenuwarts/psychiater te Bilthoven, rapport (met bijlagen) van een door
hem op 5 en 26 maart 2004 ingesteld onderzoek uitgebracht, waarop door
gedaagde bij brief van 16 augustus 2004 is gereageerd.
Desgevraagd heeft appellant bij brieven van 28 september 2004 en 14
december 2004 (met bijlagen) een toelichting op zijn standpunt gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 februari
2005.
Appellant was vertegenwoordigd door mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het
Uwv. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een uitvoerig overzicht van de van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de - gelet op de gedingstukken
correcte - weergave daarvan door de rechtbank in rubriek 2 van de
aangevallen uitspraak.
Appellant heeft aan zijn standpunt vooral ten grondslag gelegd het
rapport van het door de klinisch psycholoog/ psychotherapeut drs. M.S.P.
Vermeulen op zijn verzoek in de bezwaarfase op 8 januari 2002 ingestelde
onderzoek van gedaagde.
Gedaagde heeft aan haar standpunt vooral ten grondslag gelegd het
rapport van 20 juli 2002 van het door de zenuwarts A.J.A. Vandecasteele
op haar verzoek in de beroepsfase op 18 juni en 12 juli 2002 ingestelde
onderzoek van haar alsook het door Vandecasteele bij brief van 9 oktober
2002 gegeven commentaar op de reactie van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 13 september 2002 op zijn rapport.
De Raad heeft onder de gegeven omstandigheden aanleiding gezien tot
benoeming van de zenuwarts/psychiater prof. dr. T.I. Oei als zijn deskundige. Op verzoek van de Raad heeft Oei
eind juni 2004 rapport uitgebracht op basis van zowel een door hem op 5
en 26 maart 2004 ingesteld onderzoek van gedaagde als de tot dan
voorhanden gedingstukken, waartoe ook de door de beide partijdeskundigen uitgebrachte rapporten behoren. Blijkens diens
rapport heeft Oei zich kunnen verenigen ”met hetgeen de
verzekeringsarts mw. M.E. Scholten - Wassenaar in C 18 te berde
brengt.” C 18 is het van 28 mei 2001 daterende eindverslag van het
door deze verzekeringsarts in de primaire fase ingestelde onderzoek van
gedaagde, bij welk verslag een belastbaarheidspatroon van gelijke datum
(C 20) is gevoegd, waarmee Oei zich volgens zijn rapport evenzeer heeft
kunnen verenigen.
In dát belastbaarheidspatroon is geen urenbeperking aangegeven en is
wat de psychische belastbaarheid van gedaagde betreft - en daarop is de
thans aanhangige zaak toegespitst - melding gemaakt van beperkingen op
de volgende aspecten: werken onder tijdsdruk (28A met als aantekening:
beperkt), dwingend werktempo (28B met als aantekening: licht beperkt,
geen lopendebandwerk), conflicterende functie-eisen (28D met als
aantekening: beperkt) en conflicthantering (28E met als aantekening:
fors beperkt).
Uit de beantwoording van de aan hem gestelde vragen met betrekking tot
het wel of niet kunnen verrichten van de aan de aan gedaagde
voorgehouden functies verbonden werkzaamheden leidt de Raad af dat Oei
op het standpunt staat dat gedaagde daartoe in staat moet worden geacht.
In de bezwaarfase heeft Bockwinkel, vooral op grond van de door hem
ingewonnen expertise van Vermeulen en het verhandelde ter hoorzitting,
het belastbaarheidspatroon met name wat de psychische belastbaarheid van
gedaagde betreft op 31 januari 2002 aangescherpt in die zin dat hij
gedaagde beperkt acht op de volgende aspecten: 28A met als aantekening:
geen voortdurende deadlines, 28D met als aantekening: duidelijk
takenpakket, 28E zonder aantekening en 28H (verantwoordelijkheid,
afbreukrisico) met als aantekening: geen eindverantwoordelijkheid.
Tevens heeft Bockwinkel daarin aangegeven gedaagde belastbaar te achten
voor maximaal 20 uren per week (vier uren per dag).
Uit de beantwoording door Oei van de aan hem gestelde vragen leidt de
Raad voorts af dat Oei bij diens beoordeling het in de primaire fase
door Scholten - Wassenaar op 28 mei 2001 opgestelde
belastbaarheidspatroon voor ogen heeft gehad in plaats van het in de
bezwaarfase door Bockwinkel op 31 januari 2002 aangescherpte
belastbaarheidspatroon waarop de Raad zijn vraagstelling had
toegespitst. In dit (mogelijke) misverstand ziet de Raad evenwel
onvoldoende aanleiding om zich met een verzoek tot verduidelijking
opnieuw te wenden tot Oei, omdat uit de beantwoording door Oei is af te
leiden dat hij wat de psychische beperkingen van gedaagde betreft hoe
dan ook geen bezwaar ziet in het door haar verrichten gedurende vier (in
plaats van acht) uren per dag van de aan de aan haar voorgehouden
functies verbonden werkzaamheden.
De Raad onderkent dat Oei niet uitdrukkelijk ook een oordeel heeft
gegeven ten aanzien van de door Bockwinkel aangenomen beperking op het
aspect 28H, maar dat aspect komt - voor zover nodig - hierna bij de
beoordeling van de arbeidskundige kant van de zaak nog aan de orde.
Wat de medische kant van de zaak betreft overweegt de Raad voorts dat
naar zijn vaste jurisprudentie in beginsel het oordeel van de door de
rechter ingeschakelde onafhankelijke medische deskundige dient te worden
gevolgd, tenzij er sprake is van feiten en/of omstandigheden die
(voldoende) grond vormen om van deze lijn af te wijken. Dit klemt te
meer nu in dit geval elk van beide partijen het eigen standpunt heeft
onderbouwd met een onderzoeksrapport van een partijdeskundige en de
standpunten navenant ver uiteenlopen. De Raad heeft dan ook gekozen voor
een hoogleraar als onafhankelijke medisch deskundige. Gelijk de Raad
hiervoor al heeft aangegeven, is er bij het onderzoek door Oei iets niet
helemaal goed gegaan, maar bestaat daarin onvoldoende aanleiding om hem
wederom te benaderen. Aangezien de Raad van zwaarwegende andere feiten
en/of omstandigheden uit de gedingstukken niet is kunnen blijken, wordt
bij de beoordeling van de arbeidskundige kant van de zaak uitgegaan van
het door Bockwinkel op 31 januari 2002 aangescherpte
belastbaarheidspatroon.
Op 20 februari 2002 heeft de bezwaararbeidsdeskundige S. de Waart zeven
op basis van het door Bockwinkel aangescherpte belastbaarheidspatroon,
met behulp van het functie-informatiesysteem (fis) geselecteerde, in
deeltijd te vervullen functies aan gedaagde voorgehouden. Tevoren had De
Waart over drie functies overleg gepleegd met Bockwinkel, omdat die
functies uit het fis tevoorschijn waren gekomen met een asterisk ten
teken van mogelijke overschrijding van de (aangescherpte)
belastbaarheid; één van die functies is toen door Bockwinkel voor
gedaagde ongeschikt bevonden en niet aan gedaagde voorgehouden.
Van die zeven functies zijn er twee die zonder een op aspect 28
relevante (dat wil zeggen 28A+D+E+H) asterisk (markering) uit het fis
tevoorschijn zijn gekomen, terwijl evenmin sprake is van een asterisk op
aspect 28B. Het gaat hier om de functies assistente consultatiebureau (functiebestandscode
5429) met in totaal zeven arbeidsplaatsen en de functie printplatenmonteur
(fb-code 8538) met in totaal 13 arbeidsplaatsen. Deze functies
zijn naar het oordeel van de Raad zonder meer voor gedaagde geschikt te
achten.
De andere vijf functies zijn op verzoek van de Raad door Bockwinkel
uitvoerig besproken in diens rapport van 8 december 2004, echter, om een
onduidelijke (of geen) reden zonder ook aandacht te besteden aan het in
de functies bibliotheekassistente (fb-code 3952) met acht van de in
totaal acht arbeidsplaatsen en chauffeur bestelauto (fb-code 9855) met
twee van de in totaal zeven arbeidsplaatsen nog niet eerder toegelichte
aspect 28E dat in die functies met een asterisk uit het fis tevoorschijn
is gekomen.
De Raad is op grond van de door Bockwinkel gegeven toelichting gekomen
tot de overtuiging dat er hetzij geen sprake is van overschrijding van
de belastbaarheid, hetzij sprake is van een incidenteel voorkomende
en/of anderszins dusdanig minieme overschrijding van de belastbaarheid
dat in ieder geval ook de functies confectienaaister/-stikster (fb-code
7952 met een relevante asterisk op 28A+H en in totaal 12
arbeidsplaatsen), metaalperserbediende/assemblagemedewerker (fb-code
8364 met een relevante asterisk op 28A en in totaal negen
arbeidsplaatsen) en telefoniste/receptioniste (fb-code 3804 met een
relevante asterisk op 28B+E, waarvan die op 28E wél en ook afdoende is
toegelicht, en in totaal acht arbeidsplaatsen). Dit betekent dat de
theoretische schatting wordt gedragen door (meer dan) voldoende functies
met een (meer dan) voldoende aantal arbeidsplaatsen, zodat ook wat de
arbeidskundige kant van de zaak betreft het bestreden besluit niet voor
vernietiging in aanmerking komt, en dat de overige aan die schatting ten
grondslag gelegde functies hier geen bespreking meer behoeven.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd en het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond dient
te worden verklaard. Voorts in aanmerking genomen dat geen aanleiding
bestaat tot een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht, dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 8 april 2002 alsnog
ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april
2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|