|
Uitspraak
03/2427 WAO en 04/4209 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Namens [betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft mr. W.A. Swildens,
advocaat te Alkmaar, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder
dagtekening 15 juli 2004 tussen partijen gewezen uitspraak,
registratienummer: WAO 03/1321 (hierna: aangevallen uitspraak 1).
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening
15 april 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, registratienummer: WAO
01/1754 (hierna: aangevallen uitspraak 2).
Namens betrokkene heeft mr. W.A. Swildens, voornoemd, van verweer
gediend.
Van de zijde van het Uwv is op het verweerschrift gereageerd.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 8 maart
2005, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Swildens, en waar namens het Uwv is verschenen mr. J.F.J.A. Jennekens,
werkzaam bij dat uitvoeringsinstituut.
II. MOTIVERING
Betrokkene is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als
agrarisch medewerkster. Op 7 augustus 1998 heeft zij haar werk gestaakt
wegens griep en knieklachten.
Bij besluit van 8 september 1999 heeft het Uwv geweigerd om betrokkene
in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 6
augustus 1999, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de
mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
Nadat een eerder besluit van 4 augustus 2000, houdende een
niet-ontvankelijk verklaring van het namens betrokkene tegen het besluit
van 8 september 1999 gemaakte bezwaar, in beroep door de rechtbank was
vernietigd bij uitspraak van 14 mei 2001 - welke uitspraak vervolgens in
hoger beroep bij uitspraak van de Raad van 31 januari 2003 is bevestigd
- heeft gedaagde het bezwaar bij besluit van 2 oktober 2003 (hierna:
bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
De rechtbank Alkmaar heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het namens
betrokkene tegen het bestreden besluit 1 ingestelde beroep ongegrond
verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan
de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts van het
Uwv. De rechtbank deelt niet de visie van betrokkene dat het Uwv tijdens
de bezwaarprocedure het door de primaire verzekeringsarts opgestelde
belastbaarheidspatroon op niet-toelaatbare wijze heeft aangepast. In het
kader van de volledige heroverweging in bezwaar stond het het Uwv vrij
om ook de medische beoordeling te heroverwegen en het
belastbaarheidspatroon aan te passen. De bezwaarverzekeringsarts heeft
voorts, aldus de rechtbank, in de rapportage van 17 juli 2003 op afdoende wijze gemotiveerd waarom betrokkene nog in
enige mate in staat is om te knielen, kruipen en hurken, in die zin dat
alsnog is aangenomen dat betrokkene in staat is om af en toe iets op te
rapen van de grond. Van een ongeoorloofde relativering van het
belastbaarheidspatroon is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake,
nu een dergelijke relativering eerst aan de orde kan zijn indien het Uwv
tijdens de procedure in beroep of hoger beroep terugkomt van een eerder
door de verzekeringsarts gemaakte keuze ten aanzien van de
belastbaarheid van een betrokkene.
De stelling dat een aantal van de bij de schatting in aanmerking genomen
functies niet geschikt is om reden dat daarin onvoldoende vertreding
mogelijk is, is ook door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft geen
aanknopingspunten gevonden om de dienaangaande van de zijde van het Uwv
verstrekte toelichting voor onjuist te houden.
Namens betrokkene is in hoger beroep erop gewezen dat zij bekend is met
ernstige knieklachten. Uit het door de primaire verzekeringsarts
opgestelde belastbaarheidspatroon blijkt dat door deze bij het
belastbaarheidsaspect knielen, kruipen en hurken de code 0 (niet
mogelijk) is ingevuld. Bij de selectie van functies heeft de
arbeidsdeskundige van het Uwv evenwel bij genoemd aspect de code 1A
(mogelijk een half uur per werkdag 5 minuten aaneengesloten) ingevuld.
Betrokkene acht dit een eigenhandige en niet toegestane aanpassing (in
het aanvullend beroepschrift ook aangeduid als manipulatie) van het
belastbaarheidspatroon door de arbeidsdeskundige, met als enig doel het
toch kunnen duiden van functies hetgeen zonder die aanpassing
waarschijnlijk nauwelijks mogelijk is. De omstandigheid dat de
bezwaarverzekeringsarts van het Uwv tijdens de bezwaarprocedure heeft
bevestigd dat betrokkene in staat moet worden geacht om af en toe iets
van de grond op te rapen, maakt dit naar de zienswijze van betrokkene
niet anders.
Naar aanleiding van een melding van betrokkene van toegenomen
arbeidsongeschiktheid heeft gedaagde bij besluit van 22 februari 2001
andermaal geweigerd om betrokkene voor een WAO-uitkering in aanmerking
te brengen, en wel ditmaal op de grond dat zij op 28 januari 2000 gedurende vier weken arbeidsongeschikt is geweest, maar
in aansluiting op die periode minder dan 15% arbeidsongeschikt is te
achten.
Bij besluit van 4 september 2001 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het
Uwv het namens betrokkene tegen het besluit van 22 februari 2001
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het namens betrokkene
tegen het bestreden besluit 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt met
inachtneming van hetgeen zij heeft overwogen. Tevens heeft de rechtbank
aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en
proceskosten. Wat betreft de medische component van het bestreden
besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is geworden
dat de verzekeringsarts van het Uwv de beperkingen van betrokkene, zoals
weergegeven in het belastbaarheidspatroon van 4 december 2000, heeft
onderschat. Wat betreft de arbeidskundige component kon de rechtbank
zich verenigen met de van de zijde van het Uwv gegeven toelichting op in
de verwoordingen functiebelasting van de in aanmerking genomen functies
voorkomende markeringen bij de aspecten zitten, kortcyclisch buigen en
torderen alsmede werken onder tijdsdruk.
De rechtbank heeft evenwel tevens overwogen dat de belasting van de
geduide functies ten aanzien van knielen, kruipen en hurken zwaarder is
dan het belastbaarheidspatroon van 4 december 2000 op dit aspect
maximaal toestaat. In dit verband heeft de rechtbank het niet
aanvaardbaar geacht dat de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de
primaire verzekeringsarts dat knielen, kruipen en hurken voor betrokkene
niet mogelijk is, in bezwaar aldus heeft gewijzigd dat iets oprapen van
de grond, door bijvoorbeeld te bukken, wel mogelijk is. De rechtbank
heeft deze wijziging door de bezwaarverzekeringsarts als een niet
toegestane relativering van de vastgestelde beperkingen en als strijdig
met het Functie Informatie Systeem (FIS) gekenschetst. Indien een
belastbaarheidspatroon naar believen zou kunnen worden aangepast
teneinde (voldoende) functies te kunnen selecteren, verliest de medische
beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid, aldus de rechtbank, haar
geloofwaardigheid. Hieraan doet volgens de rechtbank niet af dat de
bezwaararbeidsdeskundige na overleg met de arbeidskundig analist heeft
aangegeven dat het kruipen in de functies niet voorkomt en dat het
knielen dan wel het hurken (naar keuze) beperkt is tot het incidenteel
iets van de grond oprapen.
Het Uwv heeft in hoger beroep tegen deze uitspraak, samengevat
weergegeven, naar voren gebracht dat het de bezwaarverzekeringsarts
alleszins vrij stond om in het kader van de heroverweging in bezwaar het
door de primaire verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon te
wijzigen. Van enige verboden en met het systeem van functiebeoordeling
strijdige relativering is volgens het Uwv geen sprake.
De Raad stelt vast dat partijen in beide gedingen verdeeld worden
gehouden door dezelfde kwestie - waartoe de Raad zich ook zal beperken -
namelijk de vraag of bij de selectie van functies aan de hand van het
FIS terecht tot uitgangspunt is genomen dat betrokkene, anders dan
waarvan de primaire verzekeringsarts was uitgegaan, wel in enige mate
belastbaar is te achten op het aspect knielen, kruipen en hurken, in die
zin dat zij in staat moet worden geacht incidenteel iets van de grond op
te rapen.
De Raad is het op zich eens met de door het Uwv in hoger beroep naar
voren gebrachte stelling alsmede met de dienaangaande door de rechtbank
in de aangevallen uitspraak 1 gegeven overwegingen en het daarop
gegronde oordeel dat het een bezwaarverzekeringsarts in beginsel vrij
staat om in het kader van de heroverweging in bezwaar een door de
primaire verzekeringsarts opgesteld belastbaarheidspatroon te wijzigen.
Niet valt in te zien dat een wijziging zoals in het geval van betrokkene
in de fase van het bezwaar door de bezwaarverzekeringsarts aangebracht,
bestaande uit het minder beperkt achten van betrokkene op een bepaald
onderdeel dan aanvankelijk was aangenomen, zou moeten worden aangemerkt
als een niet toegestane en met het systeem van functiebeoordeling
strijdige relativering van het opgestelde belastbaarheidspatroon, zoals
de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 heeft overwogen. De
bezwaarprocedure is immers bij uitstek bedoeld om het primaire besluit
volledig te heroverwegen. Van strijd met het verbod van reformatio in
peius is geen sprake, zolang door de desbetreffende aanpassing van het
belastbaarheidspatroon door de bezwaarverzekeringsarts de betrokkene
materieel niet in een nadeliger rechtspositie wordt gebracht. In het
onderhavige geval is daarvan geen sprake.
Niettemin is de Raad van oordeel dat de beide bestreden besluiten in
rechte geen stand kunnen houden. De Raad overweegt daartoe als volgt. De
primaire verzekeringsarts heeft, door bij dat aspect zonder meer - dat
wil zeggen: zonder enige nadere nuancering - score 0 in te vullen, blijk
gegeven van het oordeel dat betrokkene in het geheel niet in staat is om
te knielen, kruipen en hurken. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens, in
afwijking in zoverre van dat oordeel, ten behoeve van de functieselectie
de score 1A ingevuld, om redenen die het Uwv als van systeemtechnische
aard heeft aangemerkt. De kennelijke bedoeling van het invoeren van een
afwijkende score door de arbeidsdeskundige op meergenoemd onderdeel is
om een ruimere functieselectie mogelijk te maken dan het geval zou zijn
zonder die aanpassing, waarna de bij de selectie naar voren gekomen
functies, afhankelijk van de daaraan op het desbetreffende aspect of op
de desbetreffende aspecten verbonden belasting, in samenspraak met de
verzekeringsarts of bezwaarverzekeringsarts, aan een nadere beoordeling
op geschiktheid dienen te worden onderworpen.
De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat het alleszins de voorkeur
zou verdienen, in het bijzonder ook uit een oogpunt van inzichtelijkheid
en controleerbaarheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, indien
de verzekeringsarts zelf, bijvoorbeeld door een handgeschreven
aantekening te plaatsen op het FIS- scoreformulier, zou aangeven dat de
onderzochte persoon op een bepaald onderdeel of bepaalde onderdelen
ruimer belastbaar is dan precies overeenkomt met de door hem ingevulde
score. Naar het de Raad wil voorkomen moeten ook de verzekeringsartsen
bekend zijn met de hiervoor vermelde systeemtechnische problemen bij de
functieselectie, en zouden zij daarmee al rekening kunnen houden bij
invulling van het beperkingenpatroon hetgeen, naar de Raad uit andere
door hem beoordeelde zaken bekend is, feitelijk ook wel gebeurt. Op die
wijze wordt ook voorkomen dat de indruk ontstaat, zoals hier het geval
is bij betrokkene, dat een arbeidsdeskundige geheel eigenhandig afwijkt
van de door de verzekeringsarts opgegeven belastbaarheidsgegevens.
Voorts is de Raad van oordeel dat een wijziging of nuancering achteraf
van het oorspronkelijke belastbaarheidspatroon als hier aan de orde
slechts dan aanvaardbaar is indien deze van een inzichtelijke en
overtuigende medische onderbouwing wordt voorzien. Die onderbouwing moet
buiten twijfel stellen dat en waarom het aanvankelijke oordeel van de
primaire verzekeringsarts te strikt was. Van een dergelijke onderbouwing
kan geen sprake zijn indien, zoals in het onderhavige geval, de
bezwaarverzekeringsarts de door de arbeidsdeskundige toegepaste
correctie achteraf uitsluitend accordeert op grond van dossieronderzoek,
zonder betrokkene zelf medisch te onderzoeken, zoals de primaire
verzekeringsarts wel heeft gedaan. Ook het uiteindelijke standpunt van
het Uwv inzake de voor een betrokkene geldende beperkingen dient
verifieerbaar en toetsbaar te zijn. De in het geval van betrokkene
gevolgde benadering voldoet niet aan deze eis van een genoegzame
inzichtelijkheid en verifieerbaarheid.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de bestreden besluiten 1 en 2
in rechte geen stand kunnen houden. Dat geldt ook voor de aangevallen
uitspraak 1, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond
is verklaard. De aangevallen uitspraak 2, waarbij het beroep tegen het
bestreden besluit 2 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd,
dient te worden bevestigd, met dien verstande echter dat het Uwv een
nader besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het
besluit van 22 februari 2001 met inachtneming van hetgeen de Raad heeft
overwogen.
Met betrekking tot het geding inzake het bestreden besluit 1 acht de
Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene
in beroep en in hoger beroep. Met betrekking tot het geding inzake het
bestreden besluiten 2 acht de Raad termen aanwezig om het Uwv te
veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Daarbij
geldt dat het bijwonen van de zitting bij de Raad, gegeven de gevoegde
behandeling van beide gedingen in hoger beroep, als één
proceshandeling moet worden aangemerkt. De proceskosten worden begroot
op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op €
966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak 1;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van
betrokkene tegen het besluit van 8 september 1999;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2, met dien verstande dat het Uwv een
nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het
besluit van 22 februari 2001 met inachtneming van hetgeen de Raad heeft
overwogen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag groot € 1.610,-;
Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 414,- wordt geheven;
Bepaalt dat het Uwv aan betrokkene het betaalde griffierecht van €
133,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) H.H.M. Ho.
|
|