|
Uitspraak
03/2246 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank Groningen onder dagtekening 11 april 2003 tussen
partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer Awb 01/953 WAO
V02.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 maart 2005 zijn namens appellante nadere stukken
ingezonden, waarop gedaagde heeft gereageerd bij schrijven van 9 maart
2004 (bedoeld is: 2005) met bijlage.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar
voor appellante is verschenen mr. Brouwer, voornoemd, en waar namens
gedaagde is verschenen mr. M.J.M. van Haaften, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante ontvangt, na in 1996 wegens duizeligheidsklachten te zijn
uitgevallen voor haar parttime werkzaamheden als administratief
medewerkster, vanaf oktober 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Bij het bestreden besluit van 1 oktober 2001 heeft gedaagde in bezwaar
gehandhaafd zijn primaire besluit van 6 september 2000, houdende een
intrekking van appellantes WAO-uitkering met ingang van 7 november 2000,
op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15%
is. Blijkens de daaraan ten grondslag liggende gegevens berust die
intrekking op een beoordeling volgens welke voor appellante op de datum
in geding wel enige lichamelijke beperkingen zijn aan te geven, maar
geen beperkingen op het psychische vlak. Bij dit laatste is gedaagde in
het bijzonder afgegaan op een door de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort op
verzoek van gedaagde omtrent appellante uitgebracht expertiserapport. De
- relatief geringe - lichamelijke beperkingen van appellante staan naar
het oordeel van gedaagde niet in de weg aan het verrichten door
appellante van haar eigen - lichamelijk weinig belastende - maatgevende
werkzaamheden als administratief medewerkster.
Namens appellante wordt uitsluitend bestreden dat er op het psychische
vlak geen sprake zou zijn van beperkingen als gevolg van ziekte of
gebrek, zoals de zenuwarts Van Zandvoort heeft geconcludeerd en zoals
ook door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is geoordeeld.
Appellante heeft er in dit verband in hoger beroep op doen wijzen dat
zij in augustus 2002 is gaan werken, welk werk zij vervolgens in
november van datzelfde jaar weer heeft moeten staken als gevolg van
spanningsklachten. In januari 2003 zou zij op vrijwillige basis zijn
opgenomen op de open unit van GGZ Drenthe, locatie Assen.
De Raad stelt voorop dat de zenuwarts Van Zandvoort, die appellante in
augustus 2000 - derhalve kort voor de datum in geding - heeft
onderzocht, tot de conclusie is gekomen dat er bij appellante op dat
moment geen sprake was van ziekte of gebrek in psychiatrisch opzicht en
dat er derhalve strikt genomen geen objectiveerbare afwijkingen,
samenhangend met psychopathologie, vallen aan te geven voor arbeid.
De Raad heeft geen aanknopingspunten om die conclusies, die berusten op
een zorgvuldig onderzoek en overtuigend zijn onderbouwd, niet juist te
achten. Zulke aanknopingspunten zijn met name ook niet te vinden in
hetgeen appellante naar voren heeft doen brengen en aan nadere stukken
heeft overgelegd, reeds omdat de gebeurtenissen en stukken alle
betrekking hebben op tijdstippen die geruime tijd na de datum in geding
zijn gelegen.
Nu de Raad in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) ook voor het overige geen aanleiding heeft om het
bestreden besluit rechtens voor onjuist te houden, volgt uit het
bovenstaande dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat
besluit ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W.
Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|