|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/2508 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 1 november 2000 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 december 2000
ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellants
arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15%
was.
Namens appellant heeft mr. M. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, tegen
dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 september 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 14 april 2003,
nummer AWB 02/3747 WAO, het beroep tegen het besluit van 13 september
2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. Samama, voornoemd, op bij aanvullend
beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar
voor appellant is verschenen mr. Samama en waar namens gedaagde is
verschenen mr. W.N.K. Pouwelse, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 14
december 2000, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen
ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met
inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden
verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.
De rechtbank heeft die vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord en heeft daarbij gewezen op de in het dossier aanwezige
medische gegevens, waarin de rechtbank voldoende aanknopingspunten heeft
gevonden voor het oordeel dat door gedaagde ten aanzien van appellant
een juist medisch oordeel ten aanzien van het verrichten van arbeid is
aangenomen.
De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in
hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische en
arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Appellant is de
mening toegedaan dat zijn lichamelijke beperkingen - met name zijn
energetische beperkingen als gevolg van zijn hartklachten - door
gedaagde zijn onderschat en dat hij niet in staat is tot het vervullen
van de voor hem geselecteerde functies. Appellant stelt zich in het
bijzonder op het standpunt dat de overschrijding van de voor hem
vastgestelde belastbaarheid bij het item reiken in de functie
printplaatmonteur onvoldoende toegelicht is en dat er onvoldoende
informatie verstrekt is waarom deze functie niet een te hoge
energetische belasting voor hem zou vormen.
Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare
medische en andere gegevens geen aanknopingspunten gevonden te
twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten
grondslag gelegde medische oordeel. De Raad neemt hierbij in aanmerking
dat gedaagdes verzekeringsarts J.W. Jeensma, blijkens zijn rapport van
22 september 2000, bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon met
name rekening gehouden heeft met appellants energetische beperkingen in
verband met zijn hartklachten en hem geschikt heeft geacht voor
lichamelijk niet te inspannende werkzaamheden.
Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens in het geding
zijn gebracht die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellant
in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger
beperkt is te achten dan de beperkingen die door gedaagde in aanmerking
zijn genomen.
Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellants
medische beperkingen niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid
van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te
gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch
opzicht niet geschikt zouden zijn. De Raad acht de overschrijding van de
belastbaarheid van appellant op het onderdeel reiken in de functie
printplaatmonteur wat betreft mate en frequentie van het reiken en het
daarbij eventueel te tillen gewicht genoegzaam toegelicht door
bezwaararbeidsdeskundige A. van Dam in zijn rapport van 11 augustus
2002. Het is de Raad niet gebleken dat in dit opzicht sprake is van
ontoelaatbare relativering van de belastbaarheid.
Nu, ten slotte, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), ook overigens geen aanleiding bestaat voor het
oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt
de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april
2005.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|