|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/2916 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellant
een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant, na afloop van de
wettelijke wachttijd van 52 weken, op 2 juli 2000 minder dan 15%
arbeidsongeschikt was.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het
bezwaar zijn door mr. C. Peeck, advocaat te Amsterdam nader aangevuld.
Bij besluit van 8 november 2000 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 mei 2003, nummer AWB
02/1087 WAO, het beroep tegen het besluit van 8 november 2000 (hierna:
het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. S.L. Sarin, advocaat te Hoofddorp, als opvolgend
gemachtigde op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Singh,
kantoorgenoot van zijn gemachtige, en waar namens gedaagde is verschenen
mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uwv.
I. MOTIVERING
In dit geding ligt de vraag voor of de rechtbank kan worden gevolgd in
haar oordeel dat het bestreden besluit van 8 november 2000 in rechte
stand kan houden.
Bij dat besluit heeft gedaagde in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 8
augustus 2000, houdende een weigering om appellant in aansluiting op de
wettelijke wachttijd van 52 weken in aanmerking te brengen voor een
uitkering ingevolge de WAO op de grond dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% is.
Blijkens de namens appellant in hoger beroep aangevoerde grieven, zoals
deze in het aanvullend beroepschrift nader zijn uitgewerkt, gaat het in
dit geding in het bijzonder om de medische grondslag van het bestreden
besluit. Appellant handhaaft zijn ook reeds in beroep naar voren
gebrachte opvatting dat hij ten tijde hier van belang als gevolg van
zijn lichamelijke klachten, met name zijn schouder- en armklachten,
zodanige beperkingen ondervond dat hij geen benutbare
arbeidsmogelijkheden meer had, althans niet in staat was tot het
vervullen van de bij de onderhavige schatting als voor appellant
passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak blijk gegeven van haar
oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid
van het standpunt van gedaagde inzake appellants beperkingen en
resterende arbeidsmogelijkheden. De rechtbank heeft daarbij gelet op de
diverse zich onder de gedingstukken omtrent appellant bevindende
medische rapporten en heeft daarin geen steun gevonden voor het
standpunt van appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Voorts
achtte de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden
besluit niet onjuist.
De Raad heeft geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen
dan het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank. Naar aanleiding
van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht
overweegt de Raad dat geen grond bestaat om appellant te volgen in de
stelling dat bij de vaststelling van de medische grondslag van het
bestreden besluit geen adequaat medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.
De verklaringen van de huisarts A.R. de Hoog van 5 november 2000 en de
orthopedisch chirurg C.N. van Dijk van 15 februari 2001 waarop in dit
verband door appellant een beroep is gedaan, bevatten evenmin
aanknopingspunten voor het standpunt dat gedaagdes verzekeringsartsen
appellants beperkingen hebben onderschat. De verklaring van de huisarts
dat appellant niet in staat is enig werk met zijn armen te verrichten
wordt door deze niet onderbouwd en ziet trouwens, gelet op de gebezigde
bewoordingen, ook niet op de datum in geding. Gedaagdes
bezwaarverzekeringsarts heeft in hoger beroep nogmaals naar de
verklaring van de orthopedisch chirurg gekeken en de Raad kan zich
vinden in zijn conclusie dat de reeds uitgebreid bekende
schouderklachten door de orthopeed bevestigd worden, maar dat er
geenszins sprake is van meer objectiveerbare beperkingen dan die welke
bij de WAO-beoordeling zijn vastgesteld. De Raad is al met al van
oordeel dat het ingestelde medische onderzoek als voldoende zorgvuldig
aan te merken is.
Ook in hoger beroep zijn voorts geen medische gegevens ingebracht die
steun zouden kunnen verlenen aan de stelling van appellant dat zijn
beperkingen ten tijde hier van belang in objectief-medische zin
ernstiger waren dan de beperkingen die gedaagde bij zijn besluitvorming
tot uitgangspunt heeft genomen, laat staan aan de stelling dat die
beperkingen dermate ernstig waren dat hij in het geheel geen benutbare
arbeidsmogelijkheden meer had.
De Raad gaat er aldus vanuit dat gedaagde de beperkingen van appellant
ten tijde in dit geding van belang juist heeft gewaardeerd, althans niet
heeft onderschat. Voorts staat voor de Raad genoegzaam vast dat
appellant, gegeven die beperkingen, terecht in staat is geacht om op en
na 2 juli 2000 de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de
schatting gebruikte functies.
Gelet op het vorenoverwogene en mede in aanmerking genomen dat in het
licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook
overigens niet is kunnen blijken van aanknopingspunten om het bestreden
besluit rechtens niet voor juist te houden, komt de aangevallen
uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard,
voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H.
van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april
2005.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|