|
Uitspraak
03/2818 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand te Roermond, op bij aanvullend beroepschrift ingediende
gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
’s-Hertogenbosch op 23 april 2003, onder reg.nr. AWB 02/64 WAO tussen
partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is bij brief van 15 december 2003 en bij brief van 8
maart 2004, met bijlage, nadere informatie toegezonden. Namens gedaagde
is op de brief van 8 maart 2004 gereageerd.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 24 november 2004 nadere
gegevens toegezonden, waarop namens appellant bij brief van 30 november
2004 een reactie is gegeven.
Bij brief van 21 december 2004 is namens gedaagde nog een stuk
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 2005, waar
appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door L. den Hartog, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als productiemedewerker van een KI station toen
hij op 1 mei 1999 uitviel met rechterknieklachten. Per 26 mei 2000 is
hem een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 5 juni 2000 is
appellant onderzocht door verzekeringsarts M. Zweipfenning, die bij
appellant ook lage rugklachten vaststelde. Bij heronderzoek op 5 januari
2001 achtte Zweipfenning duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig en
stelde hij een belastbaarheidspatroon op. Na functieselectie heeft
arbeidsdeskundige J. Jacobs de mate van arbeidsongeschiktheid van
appellant berekend op 12,8%, waarna appellants WAO-uitkering bij besluit
van 21 maart 2001 per 14 april 2001 is ingetrokken.
Bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden heeft appellant
onderzocht en mede naar aanleiding van informatie van de toenmalige
behandelend orthopedisch chirurg L.P.A. Bom en een op diens instigatie
uitgevoerd onderzoek van orthopedisch chirurg Wymenga van de St.
Maartenskliniek te Nijmegen de beperkingen aangescherpt. Nadat was
gebleken dat de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde functies
onverminderd geschikt waren en de bezwaararbeidsdeskundige bij
herbeoordeling had vastgesteld dat het arbeidsongeschiktheidspercentage
niet veranderde, heeft gedaagde het door appellant tegen het besluit van
21 maart 2001 gemaakte bezwaar bij besluit van 26 november 2001 (hierna:
het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft appellant laten onderzoeken door orthopedisch chirurg
H.A.G.M. Sala en onder overneming van de in diens rapport van 4 maart
2003 vermelde conclusies het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep, onder overlegging van twee brieven
van de door hem geconsulteerde orthopedisch chirurg J.J.J. van der List,
aangevoerd dat het rapport van Sala op onvolledige informatie berust.
Appellant is meer beperkt dan gedaagde heeft aangenomen. Hij heeft ook
linkerknieklachten en zijn rugklachten, waarvoor hij nog steeds onder
behandeling is, zijn ondergewaardeerd. Appellant meent dat hij geen van
de geselecteerde functies kan vervullen. Voorts verzoekt hij om
vergoeding van proceskosten en schadevergoeding in de vorm van
wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering.
De Raad oordeelt als volgt.
In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel
van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige
in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond
waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te
wijken is de Raad niet gebleken.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het door de deskundige
Sala verrichte onderzoek zorgvuldig is geweest. Sala beschikte over de
reeds beschikbare medische rapporten en röntgenfoto’s en heeft ook
zelf röntgenfoto’s laten maken, waarna hij de door de Van
Kasteren-van Delden vastgestelde beperkingen heeft bevestigd. Het door
appellant overgelegde verslag van Van der List is opgesteld in 2004,
derhalve geruime tijd na de datum in geding. Dat Van der List bij zijn
onderzoek in 2004 een Morbus Scheuermann heeft vastgesteld, impliceert
niet dat die rugafwijking in 2001 al was waar te nemen dan wel meer
beperkingen veroorzaakte dan voor appellant zijn aangenomen.
De Raad stelt vast dat de voor de berekening van de
restverdiencapaciteit van appellant gebruikte functies bankbediende,
samensteller metaalproducten en wikkelaar in overeenstemming zijn met de
voor appellant vastgestelde beperkingen en ook overigens voor de
schatting kunnen worden gebruikt. Anders dan appellant meent is de
functie bestelautochauffeur niet meer van belang, nu die functie door
gedaagde voor appellant ongeschikt is geacht.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat gedaagde terecht appellant per 14
april 2001 minder dan 15% arbeidsongeschikt heeft geacht en zijn
WAO-uitkering per die datum heeft ingetrokken. Hieruit volgt dat het
hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
Gelet hierop is voor vergoeding van schade als door appellant verzocht
ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen
plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 4 mei 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|