|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4485 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] , wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 30 juli 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het
bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 januari 2002, waarbij
gedaagde aan appellant met ingang van 5 februari 2002 een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot
80%.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 24 juli 2003, nr. WAO
02/2298, het beroep van appellant tegen het besluit van 30 juli 2002
ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, op bij
aanvullend beroepschrift van 14 oktober 2003 aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen), gedateerd 26 februari
2004, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april
2005, waar appellant - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.L. Weltevrede,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek 2
van de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.
Bij de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven
dat de beperkingen correct zijn vastgesteld en dat de door de
arbeidsdeskundige geselecteerde functies binnen de medische beperkingen
van appellant blijven. Vergelijking van het inkomen dat appellant met de
hem voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij
in zijn vorig beroep zou hebben verdiend geeft een verlies aan
verdienvermogen te zien van 65,52%, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 februari 2002 terecht is bepaald op 65
tot 80%.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat er onvoldoende rekening is
gehouden met de knieklachten aan beide knieën. Wederom is gewezen op
het schrijven van de zorgconsulent van het gezondheidscentrum
Afrikaanderwijk van 25 april 2002. Aangezien artroseklachten normaliter
niet in een periode van enkele maanden ontstaan, moeten de in de brief
van 25 april 2002 gesignaleerde forse artroseklachten al op 5 februari
2002 hebben bestaan.
Evenals de rechtbank en op de door deze daarvoor aangegeven gronden is
de Raad van oordeel dat deze bezwaren falen. De gedingstukken bieden
geen grondslag voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig
onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De Raad wijst in dit
verband ook op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer van 23 februari 2004. Hierin geeft deze arts aan dat
er geen aanwijzingen zijn dat de klachten van de linkerknie erger waren
dan die van de rechterknie, waarmee reeds rekening is gehouden bij het
opstellen van het belastbaarheidspatroon.
De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde aan appellant voldoende
functies met voldoende arbeidsplaatsen heeft voorgehouden, die vallen
binnen de belastbaarheid van appellant en de conclusie rechtvaardigen
dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is
vastgesteld op 65 tot 80% in de zin van de WAO.
Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de
aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.H.A.
Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.
|
|