|
Uitspraak
03/831 en 03/1169 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (Italië), appellant, tevens
gedaagde, hierna: betrokkene,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde, tevens appellant, hierna: het
bestuursorgaan.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het
Lisv.
Het bestuursorgaan is op daartoe bij beroepschrift van 18 februari 2003
met bijlage aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen tegen de
uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2003 (AWB 02/84
WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens betrokkene is mr. M.P.E. D’Haene, advocaat te IJmuiden, op
daartoe bij aanvullend beroepschrift van 15 april 2003 aangevoerde
gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het bestuursorgaan heeft van verweer gediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 17
december 2004, waar voor betrokkene is verschenen mr. D’Haene,
voornoemd, en de heer G.J. Smits, adviseur van betrokkene. Het
bestuursorgaan heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen
door mr. N. Strikwerda, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Betrokkene, geboren [in] 1946, was laatstelijk als gelegenheidszanger
werkzaam. Met ingang van 3 maart 1999 heeft betrokkene zich vanuit de
Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld wegens rugklachten. Bij besluit van 24
februari 2000 is betrokkene mede in verband met een urenbeperking als
gevolg van energetische beperkingen met ingang van 1 maart 2000 - einde
wachttijd - in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In juni 2000 is betrokkene
met behoud van uitkering teruggegaan naar Italië. Na het medisch en
arbeidskundig onderzoek in het kader van de eerstejaarsherbeoordeling
is betrokkene bij besluit van 26 april 2001 met ingang van 24 juni 2001
minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO geacht en is zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken. Het tegen dit besluit door
betrokkene ingediende bezwaar heeft het bestuursorgaan bij besluit van 6
december 2001 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, omdat
het maatmaninkomen van betrokkene niet juist was vastgesteld. Na
aanpassing van het maatmaninkomen is betrokkene bij het bestreden
besluit met ingang van 24 juni 2001 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt in
de zin van de WAO beschouwd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bestuursorgaan
onvoldoende gemotiveerd waarom betrokkene met ingang van 24 juni 2001
voor hele dagen belastbaar is. De arbeidskundige grondslag van het
bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven.
In hoger beroep heeft het bestuursorgaan onder verwijzing naar het
rapport van 13 februari 2003 van de bezwaarverzekeringsarts naar voren
gebracht dat er geen sprake is van objectieve medische criteria die
aanleiding kunnen geven voor het stellen van een urenbeperking voor
betrokkene ten aanzien van het verrichten van arbeid.
Betrokkene heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat bij de
arbeidskundige beoordeling ten onrechte is uitgegaan van
opleidingsniveau 2 in plaats van 1, zoals bij de eerdere beoordeling van
de mate van arbeidsongeschiktheid door het bestuursorgaan is
vastgesteld. Betrokkene is van oordeel dat bij die beoordeling reeds
rekening is gehouden met zijn werkervaring en dat derhalve ook thans
slechts functies met opleidingsniveau 1 als passend kunnen worden
aangemerkt. Voorzover de vaststelling van het opleidingsniveau bij de
eerdere beoordeling geen formele rechtskracht heeft gekregen, levert de
aanpassing naar opleidingsniveau 2 volgens betrokkene strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel op.
Zulks geldt naar het oordeel van betrokkene ook voor de aanpassing van
de urenomvang van de maatman naar de gelegenheidszanger die 20 uur per
week werkzaam is. Volgens betrokkene kan de urenomvang van de maatman
niet worden gewijzigd, nu de urenomvang bij de eerdere beoordeling van
de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 8,62 uur per week.
Daartoe is namens betrokkene verwezen naar artikel 7 van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van 8 juli 2000, Stb.
2000, 307 (hierna: het Schattingsbesluit). Ter zitting van de Raad is
namens betrokkene voorts aan de hand van een overzicht uiteengezet dat
betrokkene 11,8 uur per week in plaats van 20 uur per week werkzaam is
geweest.
Verder is betrokkene van oordeel dat voor de vaststelling van het
maatmaninkomen ten onrechte is aangesloten bij het winstbegrip, omdat
betrokkene op grond van artikel 4 van het Besluit aanwijzing gevallen
waarin de arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd van 24
december 1986, Stb. 1986, 655 (hierna: het Besluit) als werknemer moet
worden beschouwd. Naar het oordeel van betrokkene zijn de beroepskosten
ten onrechte van het inkomen van betrokkene afgetrokken. Betrokkene
wijst er in dit verband op dat de normale c.q. forfaitaire beroepskosten
in zijn algemeenheid nooit bij een afschatting worden betrokken. Ter
zitting van de Raad is hieraan namens betrokkene nog toegevoegd dat
betrokkene over het inkomen zonder aftrek van de beroepskosten premies
ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten heeft afgedragen.
De Raad overweegt als volgt.
Allereerst dient ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad te worden
beoordeeld of betrokkene door zich in het kader van zijn recht op een
uitkering ingevolge de WAO in Nederland door het bestuursorgaan te laten
onderzoeken vrij en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van de
mogelijkheid van voorafgaande controle door het orgaan van zijn
woonplaats. Ter zitting van de Raad is namens betrokkene aangegeven dat
betrokkene weliswaar op de hoogte was van de mogelijkheid van een
onderzoek in zijn woonplaats, maar dat hij in Nederland onderzocht wilde
worden. Door deze bewuste keuze van betrokkene voor een onderzoek in
Nederland staat naar het oordeel van de Raad vast dat betrokkene vrij en
ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van de mogelijkheid om in Italië te
worden onderzocht.
Ten aanzien van het hoger beroep van het bestuursorgaan is de Raad van
oordeel dat het bestuursorgaan bij de medische beoordeling van
betrokkene terecht heeft aangenomen dat er geen aanleiding was om voor
betrokkene een beperking voor de arbeidsduur aan te nemen. Zoals
bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg in zijn commentaar van 13 februari
2003 terecht stelt, is er in het onderhavige geval geen enkel medisch
gegeven met betrekking tot betrokkene voorhanden waaruit zou kunnen
worden afgeleid dat betrokkene energetische beperkingen heeft. Nu de
door betrokkene vermelde cardiale klachten niet op cardiale pathologie
berusten, ziet de Raad ook daarin geen aanleiding om aan te nemen dat
betrokkene energetisch beperkt is.
Derhalve slaagt het hoger beroep van het bestuursorgaan en komt de
aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
Ten aanzien van de grieven van de kant van betrokkene is de Raad van
oordeel dat het bestuursorgaan terecht mede functies met
opleidingsniveau 2 als passend voor betrokkene heeft aangemerkt.
Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad kan het vereiste
opleidingsniveau voor de geduide functies niet op één lijn worden
gesteld met de strikte diploma-eis. Mede in ogenschouw nemende de aard
en duur van de werkervaring van betrokkene opgedaan als
vertegenwoordiger en gelegenheidszanger in combinatie met zijn
opleiding, vermag de Raad niet in te zien dat betrokkenes
opleidingsniveau ontoereikend zou zijn voor de geduide functies. Nu
betrokkene van 1975 tot juni 2000 in Nederland woonachtig en werkzaam
was, kan naar het oordeel van de Raad niet worden betwijfeld dat
betrokkene ten tijde in geding over de benodigde taalvaardigheid
beschikte.
Naar aanleiding van de grief van betrokkene dat het bestuursorgaan op
dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en
vertrouwensbeginsel zou hebben gehandeld, merkt de Raad op dat het
bestuursorgaan gerechtigd is eventuele fouten naar de toekomst te
herstellen. Deze grief van betrokkene slaagt derhalve niet.
Voorts is de Raad van oordeel dat het bestuursorgaan de urenomvang van
de maatman terecht op 20 uur per week heeft vastgesteld. Daarbij heeft
de Raad in aanmerking genomen dat betrokkene zelf ten overstaan van de
arbeidsdeskundige heeft verklaard dat hij circa 20 uur per week als
gelegenheidszanger werkzaam is geweest. Betrokkene heeft nimmer ontkend
dat hij deze verklaring heeft afgelegd dan wel de juistheid van de
weergave van deze verklaring weersproken. De Raad ziet derhalve in het
namens betrokkene ter zitting van de Raad overgelegde overzicht
onvoldoende aanleiding om de door de bezwaararbeidsdeskundige gemaakte
berekening van het aantal door betrokkene in de maatman gewerkte uren
voor onjuist te houden.
Ook het beroep van betrokkene op artikel 7 van het Schattingsbesluit
treft in het onderhavige geval naar het oordeel van de Raad geen doel.
Bij de onderhavige vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
van betrokkene is immers conform dit artikel geen rekening gehouden met
na de eerste vaststelling opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen
van betrokkene.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de inkomensstructuur van
betrokkene zich het beste laat vergelijken met de inkomensstructuur van
een zelfstandige. In een dergelijk geval acht de Raad het niet
onredelijk om bij de vaststelling van het maatmaninkomen uit te gaan van
de winst uit onderneming. Dat de arbeidsverhouding van betrokkene op
grond van artikel 4 van het Besluit als dienstbetrekking in de zin van
de sociale werknemersverzekeringswetten dient te worden beschouwd staat
hieraan naar het oordeel van de Raad niet in de weg.
De Raad kan en zal voorts in het midden laten of het bestuursorgaan bij
de vaststelling van het maatmaninkomen van betrokkene terecht alle door
betrokkene aan de fiscus opgegeven beroepskosten in mindering heeft
gebracht op zijn inkomsten. Daarbij acht de Raad van belang dat de
verzekering van betrokkene ingevolge de WAO gebaseerd was op zijn
inkomsten uit de werkzaamheden als gelegenheidszanger gedurende ongeveer
20 uur per week en op zijn inkomsten uit een WW-uitkering welke was
gebaseerd op ongeveer 8 uur per week in het jaar - dan wel de jaren -
voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid. Deze
inkomsten hebben geleid tot een dagloon van f 162,29 in het jaar 2000.
Het door het bestuursorgaan vastgestelde maatmaninkomen per uur van f
28,07 wijkt, uitgaande van ongeveer 28 uren per week, niet in
betekenende mate af van het dagloon waarop de verzekering krachtens de
WAO van betrokkene was gebaseerd. De Raad is derhalve van oordeel,
daargelaten de vraag of het bestuursorgaan terecht alle beroepskosten in
mindering heeft gebracht op de inkomsten van betrokkene, dat het
bestuursorgaan het maatmaninkomen van betrokkene in redelijkheid op
voornoemd bedrag heeft kunnen vaststellen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank
voor vernietiging in aanmerking komt. Het inleidend beroep dient
ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van
C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 april
2005.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|